Aanmelden
 Gratis registreren
Zoeken
302 Fans

Hoge Raad handhaaft oordeel hof over aanslagen zwartspaarders KB-Lux

Gepubliceerd op dinsdag 19 april 2011 om 12:00

Organisatie: Hoge Raad

 

De Hoge Raad laat het oordeel van het hof over het door de Belastingdienst gehanteerde model voor de berekening van aanslagen ten aanzien van ‘zwartspaarders’ in stand, afgezien van de zogenoemde 1.5-factor. Een ander hof dient te beoordelen of de boeten terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

In 2000 heeft de Belastingdienst van de Belgische belastingdienst microfiches ontvangen die gegevens bevatten over rekeningen van inwoners van Nederland bij de Kredietbank Luxembourg (KB-Lux). De microfiches vermelden saldi op rekeningen bij KB-Lux op 31 januari 1994. De Belastingdienst heeft vervolgens de (vermoedelijke) rekeninghouders benaderd met vragen. Sommigen hebben meegewerkt en opening van zaken gegeven (‘meewerkers’). Anderen hebben ontkend rekeninghouder te zijn (‘ontkenners’) dan wel geweigerd mee te werken (‘weigeraars’). Ten aanzien van ontkenners en weigeraars heeft de Belastingdienst (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting (IB) en vermogensbelasting (VB) opgelegd over, veelal, de jaren 1990 tot en met 2000, alsmede boeten van 100% van het belastingbedrag. Deze aanslagen zijn niet gebaseerd op het saldo dat het desbetreffende microfiche was vermeld, maar op de gegevens van de meewerkers. Zo vermeldde in de onderhavige zaak het microfiche een bedrag van f. 138,19 (op 31 januari 1994) en zijn bij de belanghebbende in deze zaak aanslagen IB opgelegd gebaseerd op inkomenscorrecties per jaar van rondom f. 20.000 (1990-2000) en aanslagen VB gebaseerd op vermogenscorrecties per jaar die oplopen van ongeveer f. 470.000 (1991) tot f. 810.000 (2000). Voor de berekening van deze standaardcorrecties heeft de Belastingdienst gebruikt gemaakt van een model op basis van de gegevens van de meewerkers, waarbij ten opzichte van die meewerkers bij de weigeraars en ontkenners relatief hoge correcties zijn toegepast.

Procedure bij het hof en Hoge Raad
Het hof Amsterdam oordeelde op 2 juli 2009 (LJN BJ1298) onder meer dat het door de Belastingdienst gehanteerde model voor de berekening van aanslagen IB niet onredelijk is met uitzondering van één aspect, te weten de verhoging met een factor 1,5 ten opzichte van de cijfers van meewerkers, Ook vond het hof dat de boeten terecht zijn opgelegd, zij het dat ze verminderd dienen te worden, enerzijds gelet op de wijze waarop de belastingaanslagen zijn vastgesteld (met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast) en anderzijds wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting van boetezaken.

Zowel de belastingplichtige als de staatssecretaris van Financiën heeft cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

Advocaat-generaal C.W.M. Ballegooijen heeft op 14 juli 2010 (LJN BN6324) geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de middelen van de cassatieberoepen die betrekking hebben op het door de Belastingdienst gehanteerde model.

De Hoge Raad oordeelt onder meer:

  • Voor het door de Belastingdienst gebruikte model geldt als maatstaf dat het ten aanzien van een belanghebbende redelijk moet zijn. Het model mag, gegeven het gebrek aan informatie van de kant van de belastingplichtige, een zekere mate van ruwheid vertonen. Het is niet vereist dat aan het model een sluitende statistische onderbouwing ten grondslag ligt. De gegevens van de meewerkers (en niet het saldo op het desbetreffende microfiche) mochten dienen als basis voor de correcties. Daarbij mocht de Belastingdienst uitgaan van de gegevens van meewerkers met de hoogste saldi, na eliminatie van een beperkt aantal uitschieters. Het oordeel van het hof dat daarbovenop niet nog een vermenigvuldiging mag worden toegepast (met een factor 1,5) houdt stand.Op de inspecteur rust de bewijslast dat de betrokkene in elk van de jaren 1990 tot en met 2000 rentebaten niet heeft verantwoord.
  • Op dit punt is het beroep van de belastingplichtige tegen het oordeel van het hof gegrond.
    Beoordeeld moet worden of de boeten, als zij opgelegd mochten worden, passend en geboden zijn.
  • De Hoge Raad verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor de beoordeling van de boeten. Voor de procedure na verwijzing plaatst de Hoge Raad nog enige opmerkingen die van belang zijn voor de beoordeling of de Inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd.
Gevolgen van deze uitspraak
Op 15 april is ook uitspraak gedaan in de zaak van dezelfde belastingplichtige met nr. 09/05192, LJN BN6350, betreffende de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, alsmede de daarop betrekking hebbende boeten, over de jaren 1991 tot en met 2000.

Bij de Hoge Raad en bij andere gerechten is nog een groot aantal zaken aanhangig waarvoor de beslissing in de onderhavige zaak van belang is.





Meer nieuws van dinsdag 19 aprilMeer nieuws van dinsdag 19 april:

 Published by  Developed by  Powered by
Rechtenmedia Rechtenmedia
Blue Horizon Blue Horizon
Up2Serve
© 2004 - 2014 Rechtennieuws.nl Alle rechten voorbehouden.