Het gerechtshof te Arnhem heeft op 18 april 2007 de verdachte F.H. B. ter zake van moord op H. Klein Overmeen veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Zowel verdachte als het slachtoffer verbleven in het kader van een TBS met verpleging in de Pompekliniek te Nijmegen.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Het slachtoffer was sinds 4 december 2003 vermist. Zijn stoffelijk overschot werd op 9 maart 2004 gevonden in een kuil in een bosperceel in de buurt van de Pompekliniek. Bij sectie bleek dat hij met een zwaar voorwerp met heftig botsend geweld op zijn borst en hoofd was geslagen en dat hij, nadat hij levend was begraven, was gestikt. B., die vanaf het begin af aan heeft ontkend, werd voor dit feit door de rechtbank te Arnhem bij vonnis van 11 maart 2005 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Twee weken geleden werd in hoger beroep door de advocaat-generaal een levenslange gevangenisstraf geëist.
Straftoemeting
Het hof heeft bij de straftoemeting onder meer het volgende overwogen.
“Bewezen is verklaard dat verdachte het slachtoffer Hennie Klein Overmeen opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Dat is op gruwelijke wijze gebeurd. (…) Voor een dergelijke weerzinwekkende daad past binnen het Nederlandse rechtstelsel geen andere straf dan gevangenisstraf, de zwaarste strafsoort. Volgens artikel 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht kan voor moord worden opgelegd levenslange gevangenisstraf of tijdelijk van ten hoogste twintig jaren.(…)
Wat feitelijk verdachte tot zijn handelen heeft gebracht, is tot dusverre niet onomstotelijk komen vast te staan. Verdachte heeft van het begin af aan elke betrokkenheid bij het gebeuren ontkend. Het hof acht het echter aannemelijk geworden dat verdachte uit pure zelfzucht heeft gehandeld, door het slachtoffer eerst geld af te troggelen en vervolgens, omdat hij vreesde dat een en ander aan het licht zou komen, heeft besloten om het slachtoffer uit de weg te ruimen. Gebleken is dat verdachte er op was gebrand om de inmiddels door hem verworven vrijheden binnen de TBS-instelling, en dan met name zijn verlofmogelijkheden, niet te verliezen. Enig ander motief is niet aannemelijk geworden. In ieder geval is het hof, zowel uit het dossier als uit de waarneming van de persoon van de verdachte, overtuigend gebleken dat het slachtoffer op geen enkele wijze – in fysiek noch in geestelijk opzicht – tegen verdachte opgewassen moet zijn geweest.
Waar het slachtoffer ten aanzien van het, naar aan te nemen valt onverhoeds, tegen hem gepleegde geweld (het slaan met een hard voorwerp tegen het hoofd en het lichaam) al zo goed als weerloos moet zijn geweest, is hij nadien, terwijl hij nog leefde, in een kuil in het bos begraven. Hierbij is verdachte – op zijn minst genomen – volstrekt onverschillig geweest voor de deerniswekkende situatie waarin hij het slachtoffer reeds had gebracht en heeft hij, zonder zich ook maar enigszins te bekommeren om de staat waarin het slachtoffer verkeerde, de gevolgen van zijn handelen willen verdoezelen door hem te begraven. Nog los van al hetgeen daaraan vooraf is gegaan, rekent het hof hem dit laatste handelen buitengewoon zwaar aan.
Van verregaande gevoelloosheid getuigt ook het handelen van verdachte na de verdwijning van het slachtoffer, waardoor naar valt te begrijpen binnen de Pompekliniek veel ongerustheid ontstond. Gedurende de periode dat het slachtoffer onvindbaar was – doch waarbij al snel het ergste werd gevreesd – heeft verdachte op geen enkele wijze blijk gegeven van zijn betrokkenheid bij de verdwijning van het slachtoffer, dat pas na drie maanden in de kuil waarin hij was begraven in het bosperceel werd gevonden.
Integendeel, verdachte heeft, door het ophangen van een – zoals hij later ook heeft toegegeven – verzonnen verhaal dat hijzelf die avond was overvallen in het bos, getracht de aandacht af te leiden van zijn betrokkenheid bij de verdwijning van het slachtoffer en nadien nog, door tussenkomst van anderen, valse informatie over de mogelijke verblijfplaats van het slachtoffer aan de kliniek doorgegeven, om daarmee de suggestie te wekken dat het slachtoffer nog in leven was. Daarmee heeft verdachte het leed, dat samenhing met de onverklaarbare verdwijning van het slachtoffer, op een hem ook zeer kwalijk te nemen manier verergerd.
Tenslotte rekent het hof verdachte tevens aan dat hij ook nu nog het ten laste gelegde in alle toonaarden ontkent, waarbij hij op geen enkele wijze blijk heeft gegeven van inzicht in het leed dat de dood van het slachtoffer, op de wijze zoals beschreven, heeft veroorzaakt. Daarbij schroomt verdachte niet om op welhaast absurde wijze alsmaar nieuwe scenario’s voor de verdwijning te verzinnen, om aan zijn eigen verantwoordelijkheid voor het gebeurde te ontkomen, waarbij hij ook nog eens stelselmatig andere personen inschakelt.
Bij het bepalen van de straf moet ook hetgeen is gebleken omtrent de persoon van verdachte in aanmerking worden genomen. In het geval van verdachte is naast de buitengewone ernst van het feit dat thans ten laste van hem is bewezen verklaard, de recidive van verdachte zoals blijkt uit het justitieel documentatieregister een factor van groot belang bij de straftoemeting. Op 2 april 1996 is verdachte terzake van doodslag door het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren alsmede terbeschikkingstelling met last tot verpleging van overheidswege.
Uit het dossier van die strafzaak (…), blijkt dat verdachte in 1994 zijn toen vijftien jaar oude nichtje (…) op eveneens uiterst gewelddadige wijze (…) om het leven heeft gebracht. (…) Nog geheel los van al hetgeen nog nader omtrent de persoon van verdachte is gebleken (…) moet worden geconstateerd dat verdachte door de strafrechtelijke reactie op dat eerdere feit (…) zich niet heeft laten weerhouden van het opnieuw plegen van een levensdelict, en dan ook nog in een verzwaarde variant van het delict waarvoor hij eerder was veroordeeld.
Dat maakt dat er gegronde vrees bestaat dat verdachte nogmaals een zeer ernstig delict begaat, hetgeen ter bescherming van de maatschappij zo goed als maar enigszins mogelijk is moet worden uitgesloten. Het hof is van oordeel dat de ernst van het thans bewezen verklaarde feit, in combinatie met het recidivegevaar dat van verdachte uitgaat, het opleggen van levenslange gevangenisstraf onontkoombaar maakt.”
Nader onderzoek
In opdracht van het hof is nader onderzoek naar de persoonlijkheid van verdachte verricht door twee deskundigen. Het hof neemt hun conclusies, dat verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis, over. Het hof acht geen omstandigheden aannemelijk geworden die maken dat het ten laste gelegde niet aan verdachte kan worden toegerekend. Ook is er geen aanleiding voor het aannemen van enige mate van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Het hof ziet daarom geen grond voor strafvermindering.
Het hof acht het gevaar dat van verdachte uitgaat dermate groot dat het noodzakelijk is dat verdachte uit de vrije samenleving wordt uitgesloten. Volgens het hof dient dat niet langs de weg van een terbeschikkingstelling te geschieden. Daargelaten dat geen van de beide door het hof geraadpleegde deskundigen daartoe adviseert, acht het hof gelet op de persoon van verdachte en gelet op hetgeen is geschied na zijn eerdere terbeschikkingstelling in het (hernieuwd) opleggen van een dergelijke maatregel onvoldoende waarborgen aanwezig om de samenleving tegen verdachte te beschermen. Daarom veroordeelt het hof verdachte, gelet op de noodzaak tot vergelding van de moord op H. Klein Overmeen alsmede ter beveiliging van de maatschappij, tot levenslange gevangenisstraf.
Het verweer van de verdediging dat oplegging van levenslange gevangenisstraf in het onderhavige geval in strijd is met artikel 3 dan wel artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt door het hof verworpen.

