Rechtbank Leeuwarden heeft eind januari 2007 een voor de praktijk zeer belangrijke uitspraak gedaan over de mogelijkheid om een verzuimboete op te leggen. De rechtbank zoekt daarvoor aansluiting bij de uitspraak van de Hoge Raad van 1 december 2006 over de toerekening van opzet of grove schuld van de adviseur aan de belastingplichtige in verband met het opleggen van een vergrijpboete. De rechtbank oordeelt dat ook voor verzuimboeten geldt dat de belastingplichtige persoonlijk een verwijt moet kunnen worden gemaakt, voordat deze verantwoordelijk kan worden gehouden voor de fout van een derde waardoor te weinig belasting is geheven. De bewijslast hiervoor ligt bij de inspecteur.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De zaak voor Rechtbank Leeuwarden gaat over een BV die haar aangiften loonbelasting/premieheffing laat verzorgen door een controller van een groepsmaatschappij. De controller vergeet bij de aangifte over de maand juni 2005 het in die maand uitbetaalde vakantiegeld in de loonheffing mee te nemen. Na een vrijwillige verbetering door de BV legt de inspecteur een naheffingsaanslag met een verzuimboete van 5% op.
De rechtbank verwijst allereerst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 1 december 2006. Hierin oordeelt de Hoge Raad over de vraag of de opzet of grove schuld bij het doen van een onjuiste aangifte door een adviseur, mag worden toegerekend aan de belastingplichtige. De Hoge Raad komt tot de conclusie dat toerekening in sommige situaties moet worden uitgesloten. Wanneer de opzet of grove schuld van de adviseur komt vast te staan, betekent dit nog niet dat ook bij de belastingplichtige opzet of grove schuld aanwezig is geweest. Het gaat erom dat de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur.
Dat de uitspraak van de Hoge Raad van 1 december 2006 over vergrijpboeten ging (waarbij sprake moet zijn van opzet of grove schuld) terwijl de voorliggende zaak betrekking had op een verzuimboete, maakt voor de toepassing van deze uitspraak volgens de rechtbank niet uit. De rechtbank is van mening dat ook voor het opleggen van een verzuimboete enige mate van schuld bij de belastingplichtige wordt verondersteld. In dit geval was dat een BV, maar die kan niet zelf schuld hebben. De schuld moet aanwezig zijn bij de directeur van de BV. Hierover waren partijen het eens.
Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 31 januari 1990 komt de rechtbank tot de conclusie dat de genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 1 december 2006 niet alleen van toepassing is bij de toerekening aan de belastingplichtige van schuld van een adviseur, maar ook op de toerekening van schuld van een werknemer (in dit geval: de controller van de groepsmaatschappij).
De rechtbank komt tot de conclusie dat de inspecteur in de voorliggende zaak onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de directeur van de BV persoonlijk enig verwijt kan worden gemaakt van de omstandigheid dat de controller een onjuiste aangifte heeft opgesteld. Daarom oordeelt de rechtbank dat bij de directeur (en daarmee bij de belastingplichtige) sprake is van afwezigheid van alle schuld, zodat voor het opleggen van een verzuimboete geen ruimte is.
Door deze uitspraak wordt de belastingdienst ernstig beperkt in zijn mogelijkheden om boeten op te leggen. De uitspraak levert dan ook nieuwe argumenten op bij het bestrijden van reeds opgelegde en nog op te leggen boeten. Dit kan een aanzienlijke besparing opleveren.

