De sluiting van een bankgebouw is geen voor de bedrijfstak specifieke omstandigheid, waarmee bij de bepaling van de vervangingswaarde rekening dient te worden gehouden. Dit heeft Rechtbank Middelburg onlangs beslist.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De eigenaar van een voormalig bankgebouw ging in beroep tegen de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde, omdat de gemeente in de visie van de eigenaar ten onrechte is uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer en niet van de gecorrigeerde vervangingswaarde. De eigenaar was van mening dat de vervangingswaarde moest worden gesteld op de bedrijfswaarde.
Op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en de daarop gebaseerde uitvoeringsregeling moet bij de bepaling van de vervangingswaarde voor bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken een factor voor functionele veroudering worden toegepast, zodanig dat de gecorrigeerde vervangingswaarde nagenoeg gelijk is aan de bedrijfswaarde. Deze factor is een vertaling van de economische situatie in de desbetreffende branche of bedrijfstak.
Het (voormalige) bankgebouw is gelegen in de grensstreek. Als gevolg van het van kracht worden van Europese regelgeving is het aantal Belgische klanten teruggelopen. De eigenaar heeft in beroep aangevoerd dat de economische veroudering van het object 100% is, omdat er door de economische en maatschappelijke ontwikkeling in de grensstreek geen behoefte meer is aan het object.
In de onderhavige procedure heeft Rechtbank Middelburg echter bepaald dat er geen sprake is van een voor de bedrijfstak specifieke omstandigheid. Op grond hiervan kan de vervangingswaarde niet worden gesteld op de bedrijfswaarde. Volgens de rechtbank heeft de gemeente op goede gronden de methode van de gecorrigeerde vervangingswaarde gehanteerd.

