De Wet inkomstenbelasting bevat een fiscale faciliteit die de bedrijfsopvolging onder voorwaarden zonder belastingheffing mogelijk maakt: de geruisloze doorschuiving naar ondernemers. Het is daarbij toegestaan dat niet alle bedrijfsmiddelen van de doorgeschoven onderneming naar de voortzettende ondernemer overgaan. Echter een voortzetting ‘à la carte’ waarbij de overdrager per vermogensbestanddeel zou kunnen kiezen of hij doorschuift dan wel afrekent over eventueel aanwezige stille reserves, is niet mogelijk. Tot 1 januari 2005 gold zelfs nog de eis dat de achterblijvende vermogensbestanddelen tezamen nog een onderneming moesten vormen. Deze eis kon in bepaalde situaties apert onredelijk uitpakken, met name in gevallen waarin de overdrager een hem toebehorend bedrijfspand niet overdroeg, bijvoorbeeld omdat de voortzetter voor het pand geen financiering kon krijgen. Illustratief hierbij is een recente uitspraak van Rechtbank Haarlem. Dergelijke onbillijkheden zijn nu verleden tijd.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De Wet inkomstenbelasting bevat een fiscale faciliteit die de bedrijfsopvolging onder voorwaarden zonder belastingheffing mogelijk maakt: de geruisloze doorschuiving naar ondernemers. Het is daarbij toegestaan dat niet alle bedrijfsmiddelen van de doorgeschoven onderneming naar de voortzettende ondernemer overgaan. De fiscaal geruisloze doorschuiffaciliteit kan ook worden toegepast bij de overdracht naar een werknemer, mits deze gedurende drie jaren voorafgaande aan de overdracht in die onderneming werkzaam is geweest. Tot 1 januari 2005 was het ook mogelijk dat niet alle vermogensbestanddelen werden doorgeschoven, maar gold daarbij wel de eis dat de achterblijvende vermogensbestanddelen tezamen nog een onderneming moesten vormen. Deze eis kon voor de jaren tot 2005 in bepaalde situaties apert onredelijk uitpakken. Illustratief hierbij is een recente uitspraak van Rechtbank Haarlem. De zaak was kort weergegeven als volgt.
Een ondernemer dreef tot eind 2002 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Tot het ondernemingsvermogen behoorde onder meer een bedrijfspand dat voor de onderneming werd gebruikt. Als gevolg van arbeidsongeschiktheid besloot de ondernemer de onderneming per 1 januari 2003 te verkopen aan een werknemer. Het bedrijfspand ging niet over omdat de voortzettende werknemer daarvoor niet over de financiële middelen beschikte. In plaats daarvan verhuurde de ondernemer het pand aan hem en verleende hem een koopoptie op het pand. De ondernemer bracht het pand over naar privé en rekende af over de behaalde boekwinst. Vervolgens verzocht hij om een geruisloze doorschuiving van de onderneming.
Bij het regelen van de aanslag inkomstenbelasting over 2002 paste de inspecteur de geruisloze doorschuiving niet toe. Hij stelde zich op het standpunt dat het pand een wezenlijke functie binnen de onderneming vervulde en daarom niet buiten de overdracht had mogen blijven. Alleen vermogensbestanddelen die geen functie binnen de onderneming meer vervullen, verhinderen een geruisloze overdracht niet. Verder was het volgens de (toenmalige) regeling mogelijk dat ook een deel van de onderneming geruisloos werd doorgeschoven, maar gold daarbij als voorwaarde dat het niet-overgedragen deel van de onderneming op zichzelf nog een onderneming moest vormen voor de overdrager. Een pand alleen vormt echter geen zelfstandig gedeelte van een onderneming. De inspecteur verhoogde het aangegeven belastbare inkomen met een bedrag van ca. € 288.000. De zaak kwam voor Rechtbank Haarlem.
De rechtbank bekeek de wettelijke regeling over de geruisloze inbreng zoals die gold tot 1 januari 2005 en constateerde dat de lezing van de inspecteur correct was. Bij de ondernemer was na de overdracht van de diverse ondernemingsactiva geen zelfstandig deel van een onderneming achtergebleven, maar een vermogensbestanddeel dat vervolgens naar privé was overgebracht. De inspecteur had de doorschuiffaciliteit terecht geweigerd.
Vanaf 1 januari 2005 geldt niet langer meer de eis dat de achterblijvende vermogensbestanddelen tezamen nog een onderneming moeten vormen. Een overdragende ondernemer kan aldus een bedrijfspand buiten de overdracht houden zonder dat dit een belemmering vormt voor de toepassing van de doorschuiffaciliteit. Dit houdt echter geen vrijbrief in om naar eigen goeddunken allerlei vermogensbestanddelen buiten de overdracht te houden. Dit blijkt uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel waarbij de eis van de achterblijvende onderneming is komen te vervallen. Daarbij is uitdrukkelijk opgemerkt dat een voortzetting ‘à la carte’ waarbij de overdrager per vermogensbestanddeel zou kunnen kiezen of hij doorschuift dan wel afrekent over eventueel aanwezige stille reserves, niet mogelijk is.

