De rechtbank te Maastricht heeft vandaag uitspraak gedaan in de strafzaak tegen Marcel C. De rechtbank acht de beschuldigingen van het openbaar ministerie aan het adres van verdachte gegrond.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Verdachte heeft gelden van beleggers aangewend voor andere doeleinden dan het doen van beleggingen. De rechtbank hecht geen geloof aan het verweer van verdachte, inhoudende dat hij steeds in de veronderstelling was dat hij de geldbedragen zou kunnen terugbetalen.
De conclusie is dan ook dat verdachte bij het aantrekken van de gelden en het besteden daarvan willens en wetens het aanmerkelijke risico heeft aanvaard dat hij deze bedragen niet meer terug zou kunnen betalen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het oogmerk van benadeling van de slachtoffers van aanvang af bij verdachte aanwezig is geweest.
Ook is de rechtbank van oordeel dat verdachte door deze handelswijze is bevoordeeld. Namelijk doordat hij uit de opbrengsten zakelijke of privé kosten heeft voldaan of doordat hij schulden aan derden als gevolg van eerdere mislukte beleggingen heeft kunnen voldoen.
De schade die verdachte aan de benadeelden heeft berokkend beloopt om en nabij € 1.8 miljoen.
De kans dat genoemd bedrag, of een deel daarvan, ooit zal worden terugbetaald aan de benadeelden acht de rechtbank illusoir. Het is de rechtbank opgevallen dat die schade niet het gevolg is van een incident maar van een vast patroon van handelen. Dat de benadeelden hierdoor zeer grote schade lijden, die in sommige gevallen ook niet meer goed te maken is, laat verdachte ogenschijnlijk koud, althans die schade acht hij in ieder geval geheel ondergeschikt aan zijn eigenbelang.
De stelling van verdachte dat hij tot zijn daden is gekomen onder druk van een belegger wiens geld hij had verloren acht de rechtbank ongeloofwaardig. Verdachte heeft ter zitting geen concrete voorbeelden kunnen noemen van die druk en zeker geen antwoorden kunnen geven waardoor die druk voor de rechtbank invoelbaar is geworden.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een aanzienlijke gevangenisstraf noodzakelijk en geboden is. De rechtbank heeft in overeenstemming met de eis van de officier van justitie een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd. Een deel daarvan, groot 6 maanden, heeft de rechtbank voorwaardelijk opgelegd teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nog eens strafbare feiten te plegen. De proeftijd heeft de rechtbank daarbij vastgesteld op twee jaren. Bovendien heeft de rechtbank aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De Staat zal namens de benadeelden trachten hun inleg bij verdachte terug te vorderen.

