Rechtbank Breda heeft onlangs beslist dat een buitenlands pensioenfonds recht had op vergoeding van renteschade, omdat in 2004 ten onrechte dividendbelasting was ingehouden. Het betrof een van winstbelasting vrijgesteld pensioenfonds zonder rechtspersoonlijkheid dat in Schotland was gevestigd.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Om voor vergoeding van gederfde rente in aanmerking te komen, moest het pensioenfonds door de rechtbank in het gelijk worden gesteld wat betreft het recht op teruggaaf van dividendbelasting, ondanks het feit dat de inspecteur de teruggaaf inmiddels al had verleend. Het was voor de rechtbank niet meer in discussie dat het vestigingsplaatscriterium in de Wet op de dividendbelasting in strijd was met Europese recht (belemmering van de vrijheid van vestiging) omdat bij een vergelijkbaar in Nederland gevestigd pensioenfonds geen dividendbelasting zou zijn ingehouden.
De rechtbank was echter van oordeel dat ook de eis van rechtspersoonlijkheid in strijd was met het Europese recht, namelijk het vrije verkeer van kapitaal. Daarom kwam het pensioenfonds in aanmerking voor een schadevergoeding wegens gederfde rente. De rechtbank baseerde de schadevergoeding op de geldende percentages heffingsrente over de ten onrechte ingehouden dividendbelasting over de periode 19 mei 2008 (de dag waarop de inspecteur het ‘schadeveroorzakende besluit’ had genomen) tot en met 29 januari 2009 (de dag waarop de inspecteur ambtshalve teruggaaf had verleend van de dividendbelasting).
In de Wet op de dividendbelasting waren tot 1 januari 2007 enkele bepalingen opgenomen die in bepaalde situaties nadelig waren voor in het buitenland gevestigde van winstbelasting vrijgestelde lichamen. Zo konden dergelijke lichamen geen verzoek tot teruggaaf van dividendbelasting indienen. Dit was alleen voorbehouden aan binnenlandse vrijgestelde rechtspersonen. In de praktijk hadden met name buitenlandse pensioenfondsen last van deze beperkte teruggaafmogelijkheid.
Rechtbank Breda heeft onlangs twee uitspraken gepubliceerd waarbij dit (tot 2007) discriminerende element uit de wet aan de orde kwam. De procedure betrof een in Schotland gevestigd (overheids)pensioenfonds zonder rechtspersoonlijkheid, waaraan in 2002 en 2004 dividenden waren uitgekeerd. Op de dividenduitkeringen was in 2002 € 223.670 en in 2004 € 538.266 aan dividendbelasting ingehouden. Het pensioenfonds was niet onderworpen aan een winstbelasting. Hierdoor kon het fonds de ingehouden dividendbelasting niet als voorheffing met een winstbelasting verrekenen.
Op 17 december 2007 diende het pensioenfonds bij de inspecteur voor beide jaren een verzoek in om teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting. Op 19 mei 2008 verklaarde de inspecteur de verzoeken niet-ontvankelijk. De procedure over het teruggaafverzoek over 2004 verliep voor het pensioenfonds positief. Ruim tien maanden later, op 29 januari 2009, ging de inspecteur echter alsnog over tot teruggaaf van de dividendbelasting. Het pensioenfonds verzocht vervolgens ook om een schadevergoeding wegens gederfde rente. Het pensioenfonds stelde deze rente gelijk aan de heffingsrente vanaf 31 december van het jaar van inhouding (2004) tot aan de datum van de teruggaaf van de dividendbelasting. Daarnaast verzocht het pensioenfonds om een vergoeding van de werkelijke proceskosten. De inspecteur was het hier niet mee eens, zodat de zaak alsnog voor de rechtbank kwam.
Om voor vergoeding van gederfde rente in aanmerking te komen, moest het pensioenfonds wel eerst door de rechtbank in het gelijk worden gesteld wat betreft het recht op teruggaaf van dividendbelasting. Hoewel tussen het pensioenfonds en de inspecteur niet meer in discussie was dat de wetsbepaling over de teruggaaf van dividendbelasting in strijd was met EU-recht, meende de inspecteur dat het pensioenfonds om een andere reden toch geen recht had op een teruggaaf. Het pensioenfonds bezat namelijk geen rechtspersoonlijkheid. Volgens de wet was dat voor een teruggaaf (ook voor in Nederland gevestigde pensioenfondsen) vereist.
De rechtbank stelde vast dat het Schotse pensioenfonds dezelfde activiteiten verrichtte als een binnenlands pensioenfonds met rechtspersoonlijkheid. In zoverre was het feitelijk en juridisch daarmee vergelijkbaar. Uit de wetsgeschiedenis over deze discriminerende teruggaafbepaling maakte de rechtbank op dat deze bepaling tot doel had te voorkomen dat niet aan vennootschapsbelasting onderworpen lichamen op geen enkele wijze dividendbelasting zouden kunnen verrekenen. De rechtbank was van oordeel dat in dat geval het ontbreken van rechtspersoonlijkheid geen relevant objectief verschil was dat een ongelijke behandeling zou rechtvaardigen. De in de wet genoemde eis van rechtspersoonlijkheid leidde ertoe dat het pensioenfonds geen recht had op teruggaaf van dividendbelasting, waardoor het voor het Schotse pensioenfonds minder aantrekkelijk was om in Nederland te investeren dan voor een vergelijkbaar in Nederland gevestigd pensioenfonds. Dat was een belemmering van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en dus in strijd met het Europese recht.
Daarmee had het pensioenfonds volgens de rechtbank recht op een schadevergoeding wegens door haar gestelde en gederfde rente. De rechtbank baseerde de schadevergoeding op de geldende percentages heffingsrente over de ten onrechte ingehouden dividendbelasting en wel over de periode van 19 mei 2008 tot en met 29 januari 2009 (de datum van de teruggaaf). Voor de begindatum haakte de rechtbank aan bij de datum waarop de inspecteur het ‘schadeveroorzakende besluit’ (de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting) had genomen. Wat betreft de proceskostenvergoeding was de rechtbank van oordeel dat zich geen bijzondere omstandigheden hadden voorgedaan die aanleiding gaven voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten.
De procedure over het teruggaafverzoek over 2002 verliep minder voorspoedig. Dit verzoek was namelijk niet binnen de gestelde driejaarstermijn ingediend. Daarmee ontviel de rechtsbasis voor het pensioenfonds om de verlangde teruggaaf en een schadevergoeding met succes te kunnen claimen. Volgens de rechtbank was de termijn van drie jaar redelijk om de rechten op grond van het EU-recht te kunnen uitoefenen.
Sinds 1 januari 2007 hebben ook buitenlandse van winstbelasting vrijgestelde lichamen recht op een teruggaaf van dividendbelasting, net als binnenlandse vrijgestelde lichamen. Voor binnenlandse lichamen geldt wel de eis van rechtspersoonlijkheid, maar voor buitenlandse lichamen niet.
Nederland was overigens niet het enige land in de Europese Unie met discriminerende elementen in de dividendbelasting. De Europese Commissie had namelijk in een aanschrijving van 25 juli 2006 zes lidstaten (België, Spanje, Italië, Luxemburg, Nederland en Portugal) formeel verzocht hun belastingwetgeving met betrekking tot dividendbetalingen aan vennootschappen in het buitenland te wijzigen. Deze lidstaten belasten dividendbetalingen aan buitenlandse vennootschappen zwaarder dan dividendbetalingen aan binnenlandse vennootschappen.
Het is niet ondenkbeeldig dat pensioenfondsen die in de voorgaande jaren dividend hebben ontvangen uit deze lidstaten, zonder daar gevestigd te zijn, ten onrechte nadeliger zijn behandeld dan in die landen gevestigde pensioenfondsen. Voor zover de termijn voor het indienen van een teruggaafverzoek nog niet is overschreden, kan de ten onrechte ingehouden dividendbelasting worden teruggevraagd.

