Rechtbank Arnhem heeft onlangs geoordeeld dat de belastingdienst in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur handelde, door te kiezen voor een ambtshalve vermindering in plaats van het opleggen van een tweede voorlopige aanslag naar een negatief bedrag.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
In deze zaak ging het om een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over 2006, die (na indiening van de aangifte) door de inspecteur ambtshalve werd verminderd tot een veel lager belastbaar bedrag. Hierdoor liep de bv vergoeding van heffingsrente mis over de periode tussen medio 2006 en de datum van de ambtshalve vermindering.
De rechtbank kende de bv alsnog een heffingsrentevergoeding toe. Sinds 1 januari 2010 is overigens het tijdvak gewijzigd, waarover heffingsrente wordt verschuldigd of vergoed. Verder is het voor in rekening gebrachte heffingsrente van belang dat de Hoge Raad in 2009 heeft beslist dat de belastingdienst in beginsel het berekenen van heffingsrente moet beperken tot drie maanden na het indienen van de aangifte, op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel. De Hoge Raad heeft dit onlangs nog bevestigd in zijn arrest van 26 maart 2010.
De inspecteur kan een voorlopige aanslag (inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting) op twee manieren verminderen. Hij kan een nadere voorlopige aanslag opleggen naar een negatief bedrag of hij kan een ambtshalve vermindering verlenen. De inspecteur heeft in beginsel de vrijheid om te kiezen langs welke weg hij het gewenste eindresultaat wil bereiken. In bepaalde situaties blijkt de vrijheid niet onbegrensd te zijn. De inspecteur is als bestuursorgaan bij zijn beslissingen ook gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de keuze van de inspecteur om een ambtshalve vermindering op te leggen in plaats van een tweede negatieve voorlopige aanslag, leidt tot een rentenadeel voor de belastingplichtige persoon of vennootschap. Dit kwam al eerder bij Rechtbank Breda aan de orde in ons bericht van 28 augustus 2008. In een recente zaak heeft Rechtbank Arnhem ook in deze zin beslist.
In de zaak voor Rechtbank Arnhem had de inspecteur op 31 januari 2006 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over 2006 opgelegd naar een geschat belastbaar bedrag van ongeveer € 100.000. Op 3 juni 2006 had de bv een zogenoemd schattingsformulier toegezonden aan de belastingdienst, met daarin een veel lagere schatting van het belastbaar bedrag. Hierop had de inspecteur niet gereageerd. Uiteindelijk had de bv op 6 maart 2007 de aangifte vennootschapsbelasting 2006 ingediend, ook naar een lager belastbaar bedrag dan de voorlopige aanslag.
Ter correctie van de eerdere (te hoge) voorlopige aanslag, koos de inspecteur op 31 juli 2007 voor een ambtshalve vermindering van de voorlopige aanslag. Als gevolg daarvan liep de bv een vergoeding van heffingsrente mis over de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 juli 2007. De vraag was of de bv toch recht had op de hogere heffingsrentevergoeding en of de inspecteur in plaats van de ambtshalve vermindering een nadere voorlopige aanslag had moeten opleggen.
De inspecteur had diverse redenen aangevoerd waarom geen heffingsrente zou moeten worden vergoed. Hij stelde dat het lastiger was voor de belastingdienst om een nadere voorlopige aanslag op te leggen tot een negatief bedrag, omdat dit individueel moet gebeuren terwijl de ambtshalve vermindering volgens het proces van de belastingdienst automatisch gaat. Verder stelde hij dat het volgens de wet niet mogelijk was om een negatieve voorlopige aanslag op te leggen als het definitief te betalen belastingbedrag niet negatief is. Hij verwees daarbij naar het systeem dat gold van 10 november 1984 tot 1 juli 1998. De inspecteur meende verder dat ook bij een tweede voorlopige aanslag naar een negatief bedrag in dit geval geen recht op vergoeding van heffingsrente bestond. Ten slotte stelde de inspecteur dat hij op basis van de wet, in combinatie met het beleid van de belastingdienst, min of meer werd gedwongen om te kiezen voor een ambtshalve vermindering.
Rechtbank Arnhem stelde de inspecteur op al deze punten in het ongelijk en overwoog onder meer dat het huidige systeem een tweede voorlopige aanslag naar een negatief bedrag in situaties als deze wel toestaat. Ook zou in dat geval wel sprake zijn van een recht op vergoeding van heffingsrente, omdat deze wordt berekend naar een nettobedrag, dat wil zeggen na verrekening van voorheffingen en voorlopige aanslagen.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur met de keuze voor een ambtshalve vermindering heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de beginselen van belangenafweging en evenredigheid. Een bestuursorgaan, waaronder een belastinginspecteur, moet bij het nemen van een besluit de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen. Daarbij mogen de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Door niet te kiezen voor het opleggen van een negatieve tweede voorlopige aanslag heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de bv bij een gerechtvaardigde rentevergoeding.
Dat het opleggen van een negatieve tweede voorlopige aanslag in plaats van een ambtshalve vermindering een verzwaring voor de fiscus zou inhouden, maakte het oordeel van de rechtbank niet anders. De omstandigheid dat een bepaalde werkwijze meer tijd of inspanning vergt, kan niet afdoen aan de verplichting van de belastingdienst om zijn wettelijke taken uit te voeren in overeenstemming met doel en strekking van de wettelijke regeling. De rechtbank verwees hierbij ook naar het verslag van de Nationale Ombudsman van 22 december 2008 over een soortgelijke kwestie. Budgettaire overwegingen kunnen er niet toe leiden dat gerechtvaardigde belangen van belastingplichtigen worden geschaad door bij de uitvoering van de regeling voor de voor hen minst gunstige weg te kiezen. De rechtbank stelde de bv in het gelijk en kende de bv alsnog een heffingsrentevergoeding toe over de periode 1 juli 2006 tot en met 31 juli 2007.
Opmerkingen
Sinds 1 januari 2010 wordt heffingsrente niet langer verschuldigd of vergoed vanaf de dag na het midden van een belastingjaar/boekjaar maar vanaf de dag na afloop van het belastingjaar/boekjaar. Het tijdvak waarover heffingsrente wordt berekend, eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. De gewijzigde berekening geldt voor tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2010.
Daarnaast is het voor in rekening gebrachte heffingsrente van belang dat de Hoge Raad op 25 september 2009 heeft beslist dat de belastingdienst in beginsel het berekenen van heffingsrente moet beperken tot drie maanden na het indienen van de aangifte, op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel. De Hoge Raad heeft dit onlangs nog bevestigd in zijn arrest van 26 maart 2010.

