De Hoge Raad heeft opnieuw een arrest gewezen over de vraag welk rentepercentage een bv of pensioenlichaam mag hanteren voor de waardering van een pensioen- of lijfrenteverplichting (van bijvoorbeeld de directeur-grootaandeelhouder) in een specifieke situatie, namelijk die van een gerichte lijfrente. Er is sprake van een gerichte lijfrente als het afgesproken kapitaal op de expiratiedatum (einddatum van de verzekering) al bekend is, maar de hoogte van de periodieke uitkeringen pas op de expiratiedatum wordt bepaald.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
In zo’n situatie fungeert het overeengekomen rentepercentage slechts als een rekengrootheid, die dient om de omvang van de tussen partijen overeengekomen prestatie (pensioen of lijfrente) te bepalen. Welk rentepercentage moest dan als rekenrente worden genomen? De Hoge Raad wees op een wetsbepaling over de waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen. Deze wetsbepaling schrijft voor dat de waardering moet plaatsvinden met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van ten minste 4%. De inspecteur had voor het hof de lijfrenteverplichting gewaardeerd met inachtneming van een rekenrente van 4%. Dat was dus juist. De Hoge Raad verklaarde daarop het cassatieberoep van de bv ongegrond.
De Hoge Raad heeft opnieuw een arrest gewezen over de vraag welk rentepercentage een bv of pensioenlichaam mag hanteren voor de waardering van een pensioen- of lijfrenteverplichting (van bijvoorbeeld de directeur-grootaandeelhouder) in een specifieke situatie, namelijk die van een gerichte lijfrente. Er is sprake van een gerichte lijfrenteverplichting als het afgesproken kapitaal op de expiratiedatum (einddatum van de verzekering) al bekend is, maar de hoogte van de periodieke uitkeringen pas op de expiratiedatum wordt bepaald. In zo’n situatie fungeert het overeengekomen rentepercentage slechts als een rekengrootheid, die dient om de omvang van de tussen partijen overeengekomen prestatie (pensioen of lijfrente) te bepalen.
In zijn arrest van 28 juni 2000 had de Hoge Raad een waarderingsregel gegeven voor de waardering van bepaalde verplichtingen zoals pensioen- en lijfrenteverplichtingen van nog niet ingegane pensioenen en lijfrenten. Deze regel houdt in dat de verplichting op de winstbepalende balans moet worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichting.
De Hoge Raad had vervolgens aangegeven hoe de bv of het pensioenlichaam de pensioen- of lijfrenteverplichting moet waarderen bij een stijging of daling van de rentestand (van de marktrente voor langlopende geldleningen). De rekenrente fungeert als een rekenfactor waarmee het benodigde pensioenkapitaal op de pensioeningangsdatum wordt omgerekend (contant gemaakt) naar de waarde van die verplichting op een balansdatum. Bij een daling van de rentestand mag de verplichting overeenkomstig hoger worden gewaardeerd en bij een later optredende stijging van de rentestand moet de verplichting overeenkomstig lager worden gewaardeerd, maar niet lager dan zij zou zijn gewaardeerd met toepassing van de oorspronkelijk gehanteerde rekenrente. De Hoge Raad gaf vervolgens aan dat dit laatste ook geldt als het om een gerichte lijfrente gaat. Ook in zo’n geval is het rentepercentage slechts een hulpmiddel voor de berekening van de te zijner tijd uit te keren lijfrentetermijnen.
De onderhavige procedure voor de Hoge Raad betrof de waardering van de lijfrenteverplichting voor een gerichte lijfrente aan de directeur-grootaandeelhouder per 31 december 2003. De inspecteur was van mening dat de bv een te hoge lijfrenteverplichting op de balans had opgenomen en corrigeerde deze. De Hoge Raad merkte op dat de door Hof Arnhem vastgestelde feiten geen andere conclusie toelieten dan dat het tussen de bv en de directeur-grootaandeelhouder overeengekomen rentepercentage van 8 slechts een rekengrootheid was voor de berekening van de door de bv verschuldigde lijfrentetermijnen.
Vervolgens rees de vraag welk rentepercentage als rekenrente moet worden genomen. De Hoge Raad wees op een wetsbepaling over de waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen. Deze wetsbepaling schrijft voor dat de waardering moet plaatsvinden met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van ten minste 4%. De inspecteur had voor het hof de lijfrenteverplichting gewaardeerd met inachtneming van een rekenrente van 4%. Dat was dus juist. De Hoge Raad verklaarde daarop het cassatieberoep van de bv ongegrond.

