Een ondernemer heeft in beginsel te maken met een forfaitaire bijtelling op zijn winst uit onderneming als hij een auto van de zaak voor meer dan 500 km per jaar in privé gebruikt. De auto van de zaak kan een personenauto of een bestelauto zijn. Voor bestelauto’s is de bijtelling niet aan de orde als deze vanwege zijn aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor het vervoer van goederen. Dat kan zelfs het geval zijn als in de bestuurderscabine van een bestelauto naast de bestuurderscabine nog twee andere zitplaatsen zijn.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Dit blijkt uit een feitelijke uitspraak van Hof Arnhem. De procedure betrof een zelfstandige tapijtlegger die voor zijn eenmanszaak de beschikking had over een vijfenhalve meter lange bestelauto met een verhoogd dak. De laadruimte was ingericht met vaste stellages ten behoeve van het vervoer van materialen en gereedschappen. De afmetingen van de bestelauto waren afgestemd op het vervoer van rollen vloerbedekking.
Ook al valt niet uit te sluiten dat de onderhavige bestelauto eveneens kan worden gebruikt voor privévervoer van goederen en zaken, dan nog kan volgens het hof sprake zijn van een bestelauto die door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor het vervoer van goederen. Voor het privévervoer kan op een andere dan forfaitaire wijze een bijtelling in aanmerking worden genomen.
Een ondernemer heeft in beginsel te maken met een forfaitaire bijtelling op zijn winst uit onderneming als hij een auto van de zaak voor meer dan 500 km per jaar in privé gebruikt. De auto van de zaak kan een personenauto of een bestelauto zijn. Voor bestelauto’s is de bijtelling niet aan de orde als deze vanwege zijn aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor het vervoer van goederen. Dat kan zelfs het geval zijn als in de bestuurderscabine van een bestelauto naast de bestuurderscabine nog twee andere zitplaatsen zijn. Dit blijkt uit een feitelijke uitspraak van Hof Arnhem.
De procedure betrof vereenvoudigd weergegeven het volgende. Een zelfstandige tapijtlegger gebruikte in 2001, 2002 en 2003 een vijfenhalve meter lange bestelauto met een verhoogd dak voor zijn onderneming. De klanten van de tapijtlegger waren klanten van enkele grote detailhandelsketens. De laadruimte van de bestelauto was ingericht met vaste stellages ten behoeve van het vervoer van materialen en gereedschappen. De afmetingen van de bestelauto waren afgestemd op het vervoer van rollen vloerbedekking. De inspecteur stelde dat geen sprake was van een bestelauto die naar aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor het vervoer van goederen, omdat nog twee andere zitplaatsen in de bestuurderscabine aanwezig waren. Hij corrigeerde de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over eerdergenoemde jaren en legde voor die jaren navorderingsaanslagen op. Rechtbank Arnhem stelde de ondernemer grotendeels in het gelijk. De inspecteur ging daarop in hoger beroep bij Hof Arnhem.
Het hof was van oordeel dat op basis van de uiterlijke verschijningsvorm, de specifieke inrichting en afmetingen ten behoeve van de onderneming van de tapijtlegger en de toelichting van de tapijtlegger op de rechtszitting, voldoende was gebleken dat sprake was van een bestelauto die door aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor het vervoer van goederen. Ook al valt niet uit te sluiten dat de onderhavige bestelauto eveneens kan worden gebruikt voor privévervoer van goederen en zaken, dan nog kan volgens het hof sprake zijn van een dergelijke bestelauto. Dat in de bestuurderscabine plaats is voor meer personen dan alleen de chauffeur, maakt dit niet anders. Voor dit privévervoer kan op een andere dan forfaitaire wijze een bijtelling in aanmerking worden genomen.
De tapijtlegger had gemotiveerd betwist dat hij de bestelauto in die jaren voor meer dan 500 km per kalenderjaar voor privédoeleinden had gebruikt. Om de navorderingsaanslagen overeind te houden, moest de inspecteur het tegendeel aannemelijk maken. Dat was kennelijk geen haalbare zaak en hij trok zijn stelling in. Het hof bevestigde daarop de uitspraak van Rechtbank Arnhem.
Opmerking
In de Wet op de loonbelasting staat een vrijwel identieke bepaling over auto’s die kwalificeren voor een inkomensbijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak. Dit houdt in dat geen loonbijtelling zal hoeven plaats te vinden als een werknemer in een soortgelijke bestelauto rondrijdt als in de onderhavige procedure. Natuurlijk is het beter om al op een andere manier eventueel gedoe over loonbijtelling te voorkomen. Het bewijs dat een auto niet in privé wordt gebruikt, kan men op diverse manieren leveren.

