Hof Arnhem heeft in een feitelijke procedure beslist dat de kwijtschelding van een schuld door een bank geen fiscaal belastbaar voordeel opleverde voor een bv. De schuld was namelijk niet meer voor verwezenlijking vatbaar en was om zakelijke redenen kwijtgescholden. In de onderhavige procedure had de bank van een aantal in een mislukt amusementsboulevardproject participerende bv’s volmacht gekregen om onroerende zaken uit het project te verkopen en met de opbrengst eerst de eigen lening te voldoen.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De bank verkocht de onroerende zaken ver beneden de stichtingskosten en schold de lening aan de bv’s kwijt. Een bv deed in haar aangifte vennootschapsbelasting over 2003 een beroep op de kwijtscheldingswinstvrijstelling. De inspecteur weigerde deze vrijstelling en stelde dat de onroerende zaken en de lening van de bank verplicht samenhangend moesten worden gewaardeerd. Na de verplichte samenhangende waardering was de schuld naar zijn mening nihil waardoor niet meer werd toegekomen aan de kwijtscheldingswinstvrijstelling. Het hof oordeelde echter dat ook bij een samenhangende waardering sprake was van een voordeel dat was verkregen door het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers, waarop de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing was.
Indien een schuldeiser zijn vordering op een schuldenaar kwijtscheldt, leidt dit tot een winst bij de schuldenaar; deze wordt immers bevrijd van een schuld. Indien sprake is van het uit zakelijke motieven prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten, dan is deze winst vrijgesteld van inkomstenbelasting (indien de schuldenaar een natuurlijk persoon is) of vennootschapsbelasting (indien de schuldenaar een lichaam is). De vraag of sprake is van het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten wordt beoordeeld vanuit het standpunt van de schuldeiser op het tijdstip van kwijtschelden.
De kwijtscheldingswinstfaciliteit is zodanig vormgegeven dat geen sprake kan zijn van een dubbel profijt voor de debiteur, dat wil zeggen een recht op een vrijgestelde kwijtschelding met behoud van een recht op verliescompensatie. Een kwijtschelding is pas vrijgesteld nadat de verrekenbare verliezen van de debiteur in mindering zijn gebracht op het kwijtgescholden bedrag. De verliezen die de kwijtscheldingswinstvrijstelling beperken, zijn de fiscaal verrekenbare verliezen uit het verleden en het verlies van het kwijtscheldingsjaar zelf. Toekomstige verliezen die door de carry back kunnen worden teruggewenteld naar het kwijtscheldingsjaar, beïnvloeden het kwijtscheldingsvoordeel niet.
Hof Arnhem heeft onlangs in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van vrijgestelde kwijtscheldingswinst. Kort gezegd betrof de procedure een bv die had geparticipeerd in een in 2001 mislukt vastgoedproject: een amusementsboulevard. Daarbij had een bank een lening aan de participanten kwijtgescholden onder ‘medeneming’ van de onroerende zaken. De bank verkocht eind 2001 de onroerende zaken voor een prijs die ver beneden de stichtingskosten lag. Levering van de onroerende zaken vond in 2003 plaats. Meer feiten en achtergronden over deze zaak staan in ons nieuwsbericht van 29 april 2009 maar betreffen een andere bv die ook in het project participeerde.
In haar aangifte vennootschapsbelasting over 2003 deed de bv een beroep op de kwijtscheldingswinstvrijstelling voor de vrijval van de schuld aan de bank ter grootte van € 744.886. De inspecteur weigerde echter deze vrijstelling. Rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van de bv gegrond. De inspecteur ging vervolgens in hoger beroep bij Hof Arnhem. Hij stelde dat de onroerende zaken en de lening van de bank verplicht samenhangend moesten worden gewaardeerd en dat na de verplichte samenhangende waardering de schuld nihil was, zodat niet meer werd toegekomen aan de kwijtscheldingswinstvrijstelling.
Volgens het hof moet het voordeel dat in aanmerking wordt genomen als gevolg van de waardering van de schuld, worden aangemerkt als het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers, ook als samenhangend zou moeten worden gewaardeerd. Dit betekende dat op dit voordeel de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing was. Het hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.

