Rechtbank Haarlem heeft in een feitelijke procedure beslist dat een Frans bank- en effectenbedrijf (SA) niet in aanmerking kwam voor een teruggaaf van ingehouden dividendbelasting op dividenduitkeringen van aandelen in Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Het betrof aandelenpakketten van steeds minder dan 5% die het in Frankrijk gevestigde effectenbedrijf hield. Volgens het belastingverdrag met Frankrijk is Nederland dan gerechtigd 15% bronbelasting in te houden. Een van de geschilpunten was of in de onderhavige ‘buitenlandse situatie’ effectief meer belasting werd geheven dan in een puur binnenlandse situatie. Dit houdt in dan dat er een vergelijking moet worden gemaakt tussen de 15% ingehouden bronbelasting en de effectieve vennootschapsbelastingdruk op de dividenden als de SA in Nederland zou zijn gevestigd.
Gezien de omvang van de winsten van de SA in Nederland zouden deze dividenden in de vennootschapsbelasting worden belast tegen een gewogen tarief van effectief 25% . De SA zou in de onderhavige procedure zwaarder worden belast als de aan de dividenden toerekenbare kosten hoger zouden zijn dan 40% van de brutodividenden. De rechtbank achtte echter niet aannemelijk gemaakt dat dat het geval was geweest en verklaarde het beroep op dit punt ongegrond.
Rechtbank Haarlem heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een Frans bank- en effectenbedrijf (SA) in aanmerking kwam voor een teruggaaf van (een deel van) in Nederland ingehouden en afgedragen dividendbelasting. Ter wille van de overzichtelijkheid richten we ons in dit nieuwsbericht op het verzoek om afgifte van een verrekeningsbeschikking waarbij de ingehouden dividendbelasting als voorheffing wordt beschouwd. Dit betreft een verzoek om teruggaaf van (een deel van de) ingehouden dividendbelasting omdat volgens de SA de belastingdruk in een puur binnenlandse situatie lager zou zijn dan in een buitenlandse situatie zoals in de onderhavige procedure. Dit zou strijd opleveren met het beginsel van vrijheid van kapitaalverkeer uit het EG-verdrag. Dit uitkomst van dit onderdeel wordt bepaald door enerzijds de vraag of Nederland de eventuele ongelijke behandeling heeft weggenomen middels het met Frankrijk afgesloten belastingverdrag en anderzijds de vraag welke kosten als ‘aan dividenden toerekenbare kosten’ kunnen worden aangemerkt.
De zaak was als volgt. Een in Frankrijk gevestigd bank- en effectenbedrijf (SA) had over de jaren 2000 tot en met 2008 ruim € 677 mln aan dividenden ontvangen. De dividenden waren afkomstig van aandelenpakketten in Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen. De aandelenpakketten waren niet in handen van de vaste inrichting van het bankbedrijf in Nederland maar in handen van het in Frankrijk gevestigde effectenbedrijf. De aandelenpakketten waren steeds minder dan 5%. Volgens het belastingverdrag met Frankrijk bedraagt het bronbelastingpercentage in zodanig geval dan 15%.
Verrekeningsbeschikking
De rechtbank achtte een termijn van vijf jaar voor het indienen van een verzoek om een verrekeningsbeschikking redelijk omdat dat aansluit bij de navorderingstermijn van vijf jaar. De termijn begint daarbij te lopen vanaf het einde van het desbetreffende kalenderjaar. Nu de SA in 2007 een verzoek om een verrekeningsbeschikking over de jaren 2000 tot en met 2008 had ingediend, was het verzoek met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2002 te laat.
De rechtbank wees erop dat de ingehouden dividendbelasting in dit geval geen voorheffing was voor de vennootschapsbelasting omdat de dividenden geen deel uitmaakten van de in Nederland belastbare winst. De dividenden kwamen namelijk ten goede aan het in Frankrijk gevestigde effectenbedrijf en werden daar met Franse vennootschapsbelasting belast. De rechtbank stelde vervolgens vast dat de dividendbelasting over de jaren 2000 tot en met 2007 volledig met de Franse vennootschapsbelasting was verrekend en dat deze verrekening berust op het belastingverdrag zodat Nederland erop heeft toegezien dat de ongelijke behandeling is weggenomen. In zoverre was ook geen strijd met de vrijheid van het kapitaalverkeer uit het EG-verdrag.
Aan dividenden toerekenbare kosten
Wat betreft het jaar 2008 waarin de SA in Frankrijk verlies had geleden en dus geen verrekening van de dividendbelasting met de Franse vennootschapsbelasting had plaatsgevonden, kon niet worden gezegd dat Nederland erop heeft toegezien dat de ongelijke behandeling is weggenomen. Om die reden heeft de rechtbank de veronderstelde ongelijke behandeling inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat de SA pas in een nadeliger positie zou verkeren als in een binnenlandse situatie wanneer de aan de dividenden toerekenbare kosten meer dan 40% van de brutodividenden zouden bedragen. Pas dan wordt de effectieve vennootschapsbelastingdruk van de SA namelijk lager dan de geheven 15% dividendbelasting. De SA wilde een aantal kostenposten als ‘aan dividenden toerekenbare kosten’ aanmerken. De rechtbank oordeelde echter dat dat ertoe zou leiden dat ook kosten van overige activiteiten van de SA in Frankrijk in aanmerking zouden worden genomen. Voor een dergelijke ruime benadering van kostentoerekening zag de rechtbank geen steun in het belastingverdrag met Frankrijk en ook niet in het verdragsartikel over vrijheid va n kapitaalverkeer in het EG-verdrag. De rechtbank achtte het niet aannemelijk gemaakt dat de wel kwalificerende kosten meer zouden bedragen dan 40% van de brutodividenden en handhaafde derhalve de afwijzing van de verzoeken tot verrekening van de dividendbelasting voor de jaren 2000-2008.

