Bestuurdersaansprakelijkheid: een factor waar iedere bestuurder terdege rekening mee moet houden. Zowel intern als extern kan een bestuurder worden aangesproken op zijn ‘wanbeleid’ als bestuurder. De interne aansprakelijkheid wordt vormgegeven door artikel 2:9 BW, welk artikel ervan uit gaat dat het bestuur van een rechtspersoon als collectief bestuurt. De bestuurstaak is in eerste instantie als één geheel opgedragen aan alle bestuurders gezamenlijk. Enige uitzondering zou kunnen zijn de omstandigheid dat er meerdere bestuursorganen zijn, die de bestuurstaken (al dan niet bij statuten) hebben verdeeld.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Het collegiaal bestuur zoals artikel 2:9 BW voorstaat, betekent dat alle bestuurlijke aangelegenheden tot de werkkring van ieder der bestuurders behoort. Als er meerdere bestuurders zijn, zoals ook in het voorbeeld dat ik zo zal aanhalen, is elke bestuurder afzonderlijk gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Indien er sprake is van een tekortkoming die een ernstig verwijt oplevert en aan ten minste één van de bestuurders te wijten is, dan zijn in beginsel álle bestuurders jegens de rechtspersoon voor de gehele schade aansprakelijk. Het betreft hier een hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders.
De omstandigheid dat de bestuursleden uit het bestuur een onderlinge taakverdeling hanteren, doet niet af aan het uitgangspunt van collegiaal bestuur, te weten dat het bestuur gehouden is tot een behoorlijke vervulling van de aan dat bestuur als geheel opgedragen taak. In dit kader heeft het Gerechtshof Amsterdam op 21 september 2010 een arrest gewezen, waarin de maatstaven voor interne aansprakelijkheid en de mogelijkheid tot disculpatie helder worden geformuleerd en toegepast.
De feiten
Het hof acht voor de beoordeling of de bestuurders aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:9 BW de volgende algemene omstandigheden van belang. De betrokken stichting heeft blijkens artikel 2 van haar statuten tot doel “werkzaam te zijn op het gebied van de volkshuisvesting van bejaarden in de gemeente Veenendaal”. In 1981 is door een rechtsvoorganger van de stichting een geldlening afgesloten, waarmee de bouw van 73 bejaardenflats in Veenendaal is gefinancierd. Deze lening moest in 2002 worden afgelost. Gelet op het doel van de stichting en de bij de aflossing van de financiering betrokken belangen van derden, met name de bewoners van de flats en de gemeente die borg stond voor de aflossing van de lening, acht het hof het zorgvuldig voeren van het financiële beleid van de stichting een essentieel onderdeel van de taak van het bestuur. Het lopen van (grote) financiële risico’s met het geleende geld is daarmee niet verenigbaar.
Toepassing (aansprakelijkheids)normen
Kort gezegd kwam het er dus op neer dat, gelet op het doel van de stichting én het belang van de aflossing van de lening, het financiële beleid in het algemeen en een zorgvuldige aanpak van de aflossing of herfinanciering van de lening in het bijzonder, gezien moeten worden als taken die het gehele bestuur van de stichting aangingen. De taakverdeling binnen het bestuur is daarom niet van belang voor de vraag of collectieve aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW moet worden aangenomen, maar kan wel een rol spelen bij de vraag of de individuele bestuurders zich kunnen disculperen vanwege het feit dat de tekortkoming niet aan een individuele bestuurder te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.
In het onderhavige geval komt het hof tot de conclusie dat het bestuur, gelet op het doel van de stichting en het belang van aflossing van de lening, niet het inzicht heeft vertoond en niet die zorgvuldigheid heeft betracht die mogen worden verwacht van een bestuur dat voor zijn taak berekend is en deze taak nauwgezet vervult. Daarnaast komt het Hof tot het oordeel dat het bestuur heeft gehandeld zoals geen redelijk denkend bestuurder onder deze omstandigheden zou hebben gehandeld. De bestuurders zijn daarom in beginsel voor de gehele schade hoofdelijk aansprakelijk jegens de stichting.
Uitzondering op aansprakelijkheid: disculpatie
De bestuurder treft geen blaam en is aldus niet aansprakelijk indien de tekortkoming niet aan deze bestuurder te wijten is en deze niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Het gerechtshof Amsterdam beoordeelt in het arrest per oud-bestuurder of deze bestuurder zich kan disculperen. Het hof oordeelt dat twee appellanten niet hebben aangetoond dat hun geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en evenmin dat ze maatregelen hebben getroffen om de gevolgen van de tekortkoming van het bestuur af te wenden. Ze zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor de uit de tekortkoming van het bestuur voortvloeiende schade. De andere appellant heeft zich wel kunnen disculperen.
Deze disculpatie zag op het feit dat de betreffende bestuurder niet betrokken was geweest bij het aangaan van de in het geding zijnde overeenkomst en afgegeven bankgarantie. Ondanks dat het hof tot het oordeel dat de bestuurder wél kan worden verweten dat hij stukken heeft ondertekend namens het bestuur van de stichting waarvan hij de inhoud niet kende en niet begreep, komt het hof tot het slotoordeel dat de bestuurder zich kan disculperen. Hierbij speelt een belangrijke rol dat de bestuurder niet financieel was onderlegd en dat hij de stukken in de Engelse taal niet (goed) kon doorgronden. Hiermee kon de bestuurder aantonen dat hij niet bij het geheel betrokken was en hem dus geen verwijt treft. Eveneens is in de procedure voor het hof aannemelijk gemaakt dat de betreffende bestuurder bewust op het verkeerde been is gezet door zijn ‘collegiale’ bestuurders. Eveneens speelt een rol dat de bestuurder niet is gewezen op de gevaren die betrokken waren bij de onderhavige transactie. Al deze elementen in aanmerking nemend, concludeert het hof dat er geen (interne) aansprakelijkheid kan worden aangenomen jegens deze bestuurder.
Een geslaagde disculpatie zal de bestuurder aldus in staat stellen luid en duidelijk te verklaren: “It wasn’t me…”. Niettemin geeft ook dit arrest van het hof aan dat disculpatie een horde is die nauwkeurig en zorgvuldig moet worden uitgewerkt door de advocaat in volledige samenspraak met zijn cliënt, wil zulks leiden tot een geslaagd beroep op disculpatie.
mr. Bram Janssen, BANNING Advocaten

