Voor boekwinsten die een onderneming heeft behaald met het verkopen van bedrijfsmiddelen, kan de onderneming onder voorwaarden een herinvesteringsreserve vormen. De boekwinst wordt dan gereserveerd voor de aankoop van een vervangend bedrijfsmiddel, waarop de boekwinst wordt afgeboekt. Daarmee verkrijgt een onderneming uitstel van belastingheffing over de boekwinsten. Eén van de voorwaarden voor het vormen van een herinvesteringsreserve per einde van het boekjaar is dat er een voornemen tot herinvestering van de opbrengst moet bestaan. Rechtbank Breda heeft onlangs in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over het bestaan van een herinvesteringsvoornemen. Naar het oordeel van de rechtbank moet een herinvesteringsvoornemen snel worden aangenomen, maar er moet wel enig objectief gegeven zijn dat het bestaan daarvan aannemelijk maakt. Verwijzing naar het statutaire doel en naar de beperkte feitelijke werkzaamheden vond de rechtbank in de onderhavige procedure onvoldoende.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Als een onderneming een bedrijfsmiddel verkoopt, wordt vaak winst gerealiseerd die wordt belast met inkomsten- of vennootschapsbelasting. Onder bepaalde voorwaarden is het echter mogelijk om die winst te reserveren voor de aankoop van een vervangend bedrijfsmiddel. Eén van de voorwaarden van zo’n herinvesteringsreserve is dat op de balansdatum het voornemen aanwezig is binnen drie jaar na het jaar van verkoop een vervangend bedrijfsmiddel aan te schaffen. De verkoopwinst wordt dan niet belast, maar afgeboekt op de aanschaffingskosten van het vervangende bedrijfsmiddel. Voor bedrijfsmiddelen waarop niet of waarop in meer dan tien jaar pleegt te worden afgeschreven, geldt als bijkomende voorwaarde dat het vervangende bedrijfsmiddel eenzelfde economische functie in de onderneming moet vervullen als het vervreemde bedrijfsmiddel.
Rechtbank Breda heeft onlangs in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over het bestaan van een herinvesteringsvoornemen. De zaak was vereenvoudigd weergegeven als volgt. Een bv maakte tot en met 31 december 2005 als dochtermaatschappij deel uit van een fiscale eenheid. In 2006 vond een juridische fusie plaats waarbij de bv opging in haar moedermaatschappij (hierna: BV nieuw). De bv bezat een verhuurde onroerende zaak die de bv in 2005 verkocht. De boekwinst van ruim € 1,7 mln nam de moedermaatschappij op in een herinvesteringsreserve.
De bv had onder meer als doel, zoals in de statuten tot aan de juridische fusie was opgenomen:
a. het verkrijgen, vervreemden en exploiteren van onroerende goederen;
b. het beleggen van vermogen in effecten, (on)roerende goederen en (hypothecaire) vorderingen.
Na de juridische fusie luidde het doel van BV nieuw onder meer als volgt:
a. het verkrijgen, vervreemden, exploiteren en beheren van registergoederen en andere vermogenswaarden.
b. het beleggen van vermogen in effecten, (on)roerende goederen en (hypothecaire) vorderingen.
Bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2005 van de moedermaatschappij verhoogde de inspecteur de aangegeven winst met de toevoeging in 2005 aan de herinvesteringsreserve. Hij stelde dat op balansdatum 31 december 2005 geen herinvesteringvoornemen bestond. De zaak kwam voor Rechtbank Breda.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een herinvesteringsvoornemen snel worden aangenomen, maar er moet wel enig objectief gegeven zijn dat het bestaan daarvan aannemelijk maakt. BV nieuw had vervolgens nog gewezen op het statutaire doel van de bv, maar de rechtbank vond deze enkele verwijzing te algemeen van aard om te kunnen spreken van een herinvesteringsvoornemen. Hetzelfde gold voor het opnemen van een herinvesteringsreserve in de jaarstukken, de aangifte vennootschapsbelasting en het deponeringsverslag. De rechtbank vond een verwijzing naar de feitelijke werkzaamheden van de bv -het beleggen in onroerend goed- eveneens niet voldoende om het bestaan van een herinvesteringsvoornemen aan te nemen. Voor nadere onderbouwing van haar herinvesteringsvoornemen verzocht BV nieuw de rechtbank om twee makelaars als getuigen te horen. Op basis van de processtukken en hetgeen BV nieuw op de zitting over de makelaars meldde, was de rechtbank van oordeel dat de moedermaatschappij niet aannemelijk had weten te maken dat ze op 31 december 2005 een herinvesteringsvoornemen had. De rechtbank verklaarde daarop het beroep van de moedermaatschappij ongegrond.

