Heeft een buitenlands belastingplichtige recht op het heffingvrije vermogen in box 3 (in 2011 € 20.785 voor een alleenstaande en € 41.570 tezamen met partner) eventueel vermeerderd met de ouderentoeslag, als die buitenlands belastingplichtige niet heeft gekozen voor een fiscale behandeling als binnenlands belastingplichtige? Deze vraag kwam in twee recente arresten van de Hoge Raad aan de orde.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De Hoge Raad beantwoordde die vraag ontkennend. Deze aftrekpost knoopt niet aan bij (de aard van) enige activiteit van de belastingplichtige of bij (de exploitatie van) bepaalde vermogensbestanddelen, zodat zij niet rechtstreeks verband houdt met bepaalde inkomsten of met de bron waaruit deze afkomstig zijn en daarmee onlosmakelijk verbonden is. Door zijn koppeling aan alle tot de rendementsgrondslag behorende bezittingen en schulden houdt het heffingvrije vermogen in algemene zin verband met de fiscale draagkracht van de belastingplichtige. Het heffingvrije vermogen en de verhoging daarvan in de vorm van de ouderentoeslag zijn belastingvoordelen die voortvloeien uit het rekening houden met de persoonlijke situatie en de gezinssituatie van de betrokkene. Dit oordeel van de Hoge Raad leidde ertoe dat in beide procedures zowel de inwoonster van België als de inwoner van Duitsland niet in aanmerking kwamen voor het heffingvrije vermogen al of niet verhoogd met de ouderentoeslag.
Niet-inwoners van Nederland die inkomen in Nederland genieten (buitenlands belastingplichtigen) kunnen onder voorwaarden er voor kiezen om fiscaal te worden behandeld als inwoners (binnenlands belastingplichtigen). Daardoor ontstaat een grote(re) mate van fiscale gelijkheid met inwoners. Kiest een buitenlands belastingplichtige niet voor een fiscale behandeling als binnenlands belastingplichtige dan bestaat onder omstandigheden langs een andere weg recht op fiscale faciliteiten en tegemoetkomingen die gelden voor binnenlands belastingplichtigen. Dat is het geval als men (nagenoeg) geheel -dat wil zeggen ten minste 90% of meer- van het totale wereldinkomen vanuit Nederland verdient. Dit volgt onder meer uit rechtspraak van het Hof van Justitie voor de Europese Unie. In dat geval moet de woonstaat rekening houden met de persoonlijke situatie en de gezinssituatie van de buitenlands belastingplichtige en de daarmee verband houdende belastingvoordelen toekennen. Als niet sprake is van één van beide eerdergenoemde situaties, dan kan geen aanspraak worden gemaakt op diverse belastingvoordelen. Dit blijkt onder meer uit twee recente arresten van de Hoge Raad.
In beide arresten was de vraag aan de orde of een buitenlands belastingplichtige recht heeft op het heffingvrije vermogen in box 3 (in 2011 € 20.785 voor een alleenstaande en € 41.570 tezamen met partner) eventueel vermeerderd met de ouderentoeslag. Het eerste arrest betrof een inwoonster van België met onroerend goed in Nederland. Zij bestreed in cassatie het standpunt van Hof Den Bosch dat het heffingvrije vermogen en de verhoging daarvan in de vorm van de ouderentoeslag belastingvoordelen zijn die voortvloeien uit het rekening houden met de persoonlijke situatie en de gezinssituatie van de betrokkene. Het tweede arrest betrof een inwoner van Duitsland die minder dan 90% van zijn gezinsinkomen in Nederland genoot. Hij stelde zich op het standpunt dat het heffingvrije vermogen een ‘brongebonden’ aftrekpost is die verband houdt met bepaalde activiteiten of vermogensbestanddelen en geen verband houdt met de persoonlijke situatie en de gezinssituatie van de betrokkene.
De Hoge Raad overwoog dat het heffingvrije vermogen ertoe strekt dat belastingplichtigen niet vanaf de eerste euro in de heffing over een forfaitair rendement van dat vermogen worden betrokken. Naar de bedoeling van de wetgever heeft deze tegemoetkoming met name effect voor beleggers en spaarders met kleine vermogens. Daardoor knoopt deze aftrek niet aan bij (de aard van) enige activiteit van de belastingplichtige of bij (de exploitatie van) bepaalde vermogensbestanddelen, zodat zij niet rechtstreeks verband houdt met bepaalde inkomsten of met de bron waaruit deze afkomstig zijn en daarmee onlosmakelijk verbonden is. Door zijn koppeling aan alle tot de rendementsgrondslag behorende bezittingen en schulden, houdt het heffingvrije vermogen in algemene zin verband met de fiscale draagkracht van de belastingplichtige. De Hoge Raad was daarom van oordeel dat het heffingvrije vermogen -en de verhoging daarvan in de vorm van de ouderentoeslag- een belastingvoordeel is dat voortvloeit uit het rekening houden met de persoonlijke situatie en de gezinssituatie van de betrokkene. Dit oordeel van de Hoge Raad leidde ertoe dat in beide procedures zowel de inwoonster van België als de inwoner van Duitsland niet in aanmerking kwamen voor het heffingvrije vermogen al of niet verhoogd met de ouderentoeslag

