Aan de verdachte kan geen grove schuld worden verweten aan de dood van zijn klimpartner, die bij een ongeval in een Amsterdamse klimhal om het leven is gekomen.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De verdachte zekert op 13 mei 2008 zijn vrouwelijke klimpartner – met wie hij al zes jaar wekelijks klimt – in de Amsterdamse klimhal ‘Tussen hemel en aarde’. In de route naast die van de verdachte en zijn klimpartner, klimt de vriendin van de verdachte, gezekerd door háár klimpartner.
Terwijl de klimpartner van de verdachte aan het klimmen is, komt de vriendin van de verdachte langs het zekeringstouw in de naastgelegen route naar beneden. Als zijn vriendin op de grond staat, praat de verdachte met haar en haar klimpartner. Op dat moment maakt hij de zekering van het touw waarmee hij zíjn klimpartner zekert los. Naar eigen zeggen omdat hij het veilig afdalen van zijn vriendin in de baan naast hem onbewust heeft verbonden met zijn eigen handelen. Het losmaken van de zekering heeft als gevolg dat zijn klimpartner uit de 12 meter hoge klimwand naar beneden stort. Zij overlijdt aan de bloedingen die het gevolg zijn van haar val.
Volgens het openbaar ministerie kan de verdachte grove schuld aan de dood van het slachtoffer worden verweten.
Procedure bij hof en Hoge Raad
Het hof Amsterdam heeft de verdachte op 19 februari 2010 vrijgesproken van dood door schuld (LJN BL5635).
Het openbaar ministerie heeft cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
Advocaat-generaal Vegter heeft de Hoge Raad op 25 oktober 2011 geadviseerd de uitspraak van het hof te vernietigen en de zaak opnieuw te laten behandelen door het hof Amsterdam.
Uitspraak Hoge Raad
De Hoge Raad laat de vrijspraak van het hof in stand.
Volgens het hof moet bij de zeer gevaarlijke klimsport van de klimmer en de zekeraar worden verwacht dat zij zich zeer voorzichtig en oplettend gedragen. De verdachte is zich steeds scherp bewust geweest van zijn verantwoordelijkheid. Van enige nonchalance of nalatigheid van de verdachte bij zijn taak van zekeraar is niet gebleken. De verdachte had zich de handelingen die de klimmer voor vallen behoeden zozeer eigen gemaakt dat van geautomatiseerd handelen kan worden gesproken. De reeks van geautomatiseerde handelingen die betrekking hadden op het zekeren van zijn klimpartner zijn onopgemerkt overgegaan in de geautomatiseerde handelingen rondom het afdalen van zijn vriendin. Op het moment dat zijn vriendin veilig op de grond stond kon die reeks worden afgerond met het losmaken van de zekering, terwijl die zekering in werkelijkheid het losraken verhinderde van het andere touw dat het slachtoffer zekerde. Het hof komt tot de conclusie dat de verdachte niet met grove schuld of aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, zoals voor dood door schuld (art. 307 Wetboek van Strafrecht) is vereist.
Volgens het openbaar ministerie had het hof wel moeten aannemen dat er hier sprake was van grove of aanmerkelijke schuld.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het juiste criterium voor dood door schuld van art. 307 Sr heeft toegepast. Volgens de Hoge Raad heeft het hof zijn oordeel ook afdoende gemotiveerd.

