Hof Den Bosch heeft onlangs een belangwekkende uitspraak gedaan over de mogelijkheid tot naheffing van motorrijtuigenbelasting van een personenauto waarvan het kenteken voor een bepaalde periode is geschorst.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Gedurende de periode van schorsing hoeft geen motorrijtuigenbelasting te worden betaald en mag geen gebruik van de openbare weg worden gemaakt. Wordt gedurende de schorsingsperiode echter geconstateerd dat toch gebruik is gemaakt van de openbare weg, dan schrijft de Wet op de motorrijtuigenbelasting voor dat motorrijtuigenbelasting is verschuldigd over -in beginsel- het lopende tijdvak (een kwartaal) plus de drie voorafgaande tijdvakken (kwartalen). Dit is gebaseerd op de fictie dat met de auto over een periode van vier kwartalen van de openbare weg gebruik is gemaakt. Onder omstandigheden kan deze regel onredelijk uitpakken, met name als een ander zonder toestemming van de kentekenhouder van de geschorste auto gebruik heeft gemaakt. Hof Den Bosch komt op basis van Europees recht en een reeks arresten van de Hoge Raad tot het oordeel dat naheffing van motorrijtuigenbelasting op grond van de fictie in zodanig geval niet proportioneel en daarom niet gerechtvaardigd is. De reden hiervoor is dat een kentekenhouder niet de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren dat met de auto korter dan vier kwartalen van de openbare weg gebruik is gemaakt. In de onderhavige procedure stond vast dat een derde de geschorste auto op één dag had gebruikt. Het hof verminderde de opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting tot een aanslag berekend over die ene dag.
Indien u voorziet dat u voor een langere periode geen gebruik gaat maken van uw personenauto -bijvoorbeeld wegens een langer verblijf in het buitenland- dan kunt u het kenteken van uw personenauto laten schorsen. In dat geval hoeft u voor deze periode geen motorrijtuigenbelasting te betalen en mag u met de auto geen gebruik maken van de openbare weg. De auto mag ook niet voor uw huis op straat (openbare weg) geparkeerd staan. Wordt gedurende de schorsingsperiode geconstateerd dat toch gebruik is gemaakt van de openbare weg, dan schrijft de Wet op de motorrijtuigenbelasting voor dat motorrijtuigenbelasting is verschuldigd over -in beginsel- het lopende tijdvak (een kwartaal) plus de drie voorafgaande tijdvakken (kwartalen). Dit is gebaseerd op de fictie dat met de auto over een periode van vier kwartalen van de openbare weg gebruik is gemaakt. Onder omstandigheden kan deze regel onredelijk uitpakken, met name als een ander zonder toestemming van de kentekenhouder van de geschorste auto gebruik heeft gemaakt. Illustratief hierbij is een uitspraak van Hof Den Bosch.
In de onderhavige procedure had een man gedurende zijn verblijf in Brazilië de geldigheid van het kenteken van zijn personenauto geschorst van 28 juli 2009 tot en met 27 juli 2010. Tijdens het buitenlands verblijf stond de auto in garage bij de woning van de man geparkeerd. De sleutels van de auto bevonden zich in de woning. De vader van de man had op 3 januari 2010, zonder toestemming van de man, gebruik gemaakt van de auto omdat zijn eigen auto niet wilde starten. De vader wist niet dat het kenteken was geschorst.
De vader werd die dag met de auto geflitst wegens het door rood lichten rijden. Dit leidde tot de constatering dat met de auto tijdens een schorsing gebruik van de openbare weg was gemaakt. De inspecteur legde de man een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting op over de periode van 28 juli 2009 tot en met 9 maart 2010. (Op 9 maart eindigde het lopende tijdvak motorrijtuigenbelasting van de betreffende personenauto -red.)
Hof Den Bosch stelde voorop dat de Wet op de motorrijtuigenbelasting uitgaat van de fictie dat bij constatering van het gebruik van de weg tijdens een schorsing, gedurende het gehele tijdvak waarin de constatering heeft plaatsgevonden eveneens gebruik van de openbare weg is gemaakt, óók in de drie voorafgaande tijdvakken.
Hof Den Bosch komt op basis van Europees recht (art. 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden) en een reeks arresten van de Hoge Raad tot het oordeel dat naheffing van motorrijtuigenbelasting op grond van de fictie in dit geval niet proportioneel en daarom niet gerechtvaardigd is. De reden hiervoor is dat een kentekenhouder niet de mogelijkheid heeft om de fictie te betwisten en geen tegenbewijs kan leveren dat met de auto korter dan vier kwartalen van de openbare weg gebruik is gemaakt.
In de onderhavige procedure stond vast dat met de auto op slechts één dag gebruik was gemaakt van de openbare weg. De inspecteur beschikte niet over bewijs dat op meerdere dagen van de nageheven periode met de auto gebruik was gemaakt van de openbare weg. Het hof verminderde daarom de opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting tot een aanslag berekend over die ene dag.

