Uit het buitenland aangetrokken (ingekomen) werknemers komen onder voorwaarden in aanmerking voor een fiscale faciliteit: de 30%-regeling. Onder de 30%-regeling kan de werkgever deze werknemers een belastingvrije vergoeding verstrekken voor de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst voor de duur van maximaal tien jaar (sinds 2012 acht jaar).
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De Hoge Raad heeft beslist dat de 30%-regeling ook van toepassing kan zijn op een nagekomen bate uit een optieregeling na vertrek uit Nederland. In de onderhavige procedure ging het om aandelenopties die eind 2002 aan een Amerikaanse bestuurder waren toegekend. Op zijn salaris was de 30%-regeling van toepassing. De aandelenopties hielden verband met zijn werkzaamheden in Nederland als bestuurder. Begin 2006 keerde hij terug naar de VS. Na terugkeer werden zijn opties onvoorwaardelijk. De inspecteur betrok het voordeel van de aandelenopties in 2006 in de belastingheffing en legde een aanslag inkomstenbelasting op zonder toepassing van de 30%-regeling. Uit de wetsgeschiedenis maakte de Hoge Raad op dat de 30%-regeling ook van toepassing kan zijn op variabele loonbestanddelen ongeacht de vorm daarvan, dus ook optierechten. Dat in de onderhavige procedure het optierecht pas na emigratie onvoorwaardelijk was geworden, deed aan het karakter van nagekomen beloning voor die arbeid niet af.
Uit het buitenland aangetrokken (ingekomen) werknemers komen onder voorwaarden in aanmerking voor een fiscale faciliteit: de 30%-regeling. Onder de 30%-regeling kan de werkgever deze werknemers een belastingvrije vergoeding verstrekken voor de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst voor de duur van maximaal tien jaar (sinds 2012 acht jaar). De Hoge Raad heeft onlangs beslist dat de 30%-regeling ook van toepassing kan zijn op een nagekomen bate uit een optieregeling na vertrek uit Nederland. De zaak was als volgt.
Een uit de VS afkomstige bestuurder was vanaf 1 november 2002 in dienstbetrekking bij een in Nederland gevestigde vennootschap. Gedurende zijn dienstverband woonde hij ook in Nederland. De bestuurder kwam in aanmerking voor de 30%-regeling. Tijdens zijn dienstverband kreeg hij voorwaardelijke aandelenopties toegekend. Het dienstverband van de bestuurder duurde tot en met 31 december 2005. Na deze laatste datum werden zijn opties onvoorwaardelijk. In 2006 genoot de bestuurder uit deze opties een voordeel van bijna € 2,3 mln. De vennootschap had op het voordeel echter niet de 30%-regeling toegepast. De (inmiddels oud-)bestuurder meende dat de 30%-regeling ook van toepassing was op het voordeel uit de opties. De inspecteur was evenwel de tegenovergestelde mening toegedaan en legde hem voor 2006 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op naar een belastbaar box 1-inkomen van bijna € 2,3 mln. De zaak kwam voor Rechtbank Breda en Hof Den Bosch die de bestuurder in het gelijk stelden. De staatssecretaris van Financiën stelde daarop beroep in cassatie in.
Uit de wetsgeschiedenis maakte de Hoge Raad op dat de 30%-regeling ook van toepassing kan zijn op variabele loonbestanddelen ongeacht de vorm daarvan, dus ook optierechten. In de onderhavige procedure was dat inderdaad het geval want het voordeel uit aandelenopties was namelijk toe te rekenen aan de arbeid die de bestuurder in de jaren 2002 tot en met 2005 als ingekomen werknemer in Nederland had verricht. Dat in de onderhavige procedure het optierecht pas na emigratie onvoorwaardelijk was geworden, deed aan het karakter van nagekomen beloning voor die arbeid niet af.

