Het bezwaar van drie mensenrechtenorganisaties tegen de verlening van een vergunning voor de overdracht van militair materieel is door de rechtbank Noord-Holland niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank heeft de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de organisaties terecht niet ontvangen in hun bezwaar.
De minister verleende een vergunning aan een in Nederland gevestigde onderneming voor de overdracht van militair materieel naar Frankrijk ten behoeve van de Egyptische marine. Daartegen maakten drie mensenrechtenorganisatiesbezwaar, waarop de minister dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. Volgens de minister worden de organisaties niet voldoende rechtstreeks in hun belangen geraakt. Omdat de organisaties het niet eens waren met de beslissing van de minister, stelden ze beroep in bij de rechtbank.
Gerede partij
Volgens de organisaties zijn zij de meest gerede partij om deze procedure te voeren. Daarbij hebben zij gewezen op hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden. Omdat op deze vergunningverlening de douanewetgeving van toepassing is, geldt het belanghebbendenbegrip van het douanerecht van de Europese Unie. De rechtbank vindt dat de vergunning voor de organisaties geen rechtsgevolgen heeft en hun niet rechtstreeks en individueel raakt. Dat door de organisaties beschermde en verdedigde mensenrechten in het geding zijn of kunnen zijn, is daarvoor niet voldoende.
Douanerecht vs. Algemene wet bestuursrecht
Het douanerecht van de Unie kent niet een bepaling als artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van deze bepaling worden mede als belangen van rechtspersonen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij volgens hun doelstellingen en feitelijke werkzaamheden behartigen. De rechtbankvindt daarom dat de minister de organisaties terecht niet heeft ontvangen in hunbezwaar. Het beroep daartegen is ongegrond.
De mensenrechtenorganisaties kunnen nog in hoger beroep bij het gerechtshof.


