Samenvatting door griffier van de Hoge Raad (buiten verantwoordelijkheid van de Hoge Raad).
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Achtergrond:
In deze zaak staat de verdachte terecht voor moord, subsidiair doodslag, op zijn vrouw in november 2000. Het lichaam van de vrouw is nooit gevonden.
Het hof Amsterdam heeft de verdachte op 7 oktober 2002 veroordeeld tot zestien jaren gevangenisstraf wegens moord. (LJN: AE8413)
De Hoge Raad heeft op 9 maart 2004 deze uitspraak van het hof Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar het hof ‘s-Gravenhage, onder meer omdat het hof Amsterdam vragen, die de verdediging had willen stellen aan een getuige over de betrouwbaarheid van zijn verklaringen, niet zonder meer had mogen beletten. (LJN: AN9195)
Het hof ‘s-Gravenhage heeft de verdachte op 11 oktober 2004 veroordeeld tot elf jaren en negen maanden gevangenisstraf wegens doodslag. (LJN: AR3620). De veroordeling berust onder meer op verklaringen die door de verdachte in de penitentiaire inrichting waar hij verbleef zijn afgelegd tegenover een undercover opsporingsambtenaar, die zich jegens hem had voorgedaan als een medegedetineerde.
Het cassatieberoep bij de Hoge Raad:
De verdachte en het openbaar ministerie hebben cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van het hof ‘s-Gravenhage.
Namens de verdachte heeft mr. A.A. Franken, advocaat in Amsterdam, onder andere geklaagd dat:
- het hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat inbreuk is gemaakt op de verklaringsvrijheid van de verdachte door het inzetten van een undercover opsporingsambtenaar in de Penitentiaire Inrichting waar de verdachte verbleef;
- het hof de verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt, die de verdachte tegenover deze opsporingsambtenaar heeft afgelegd, alsmede de verklaringen die deze opsporingsambtenaar – als bedreigde getuige – tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd en het door hem opgemaakte proces-verbaal;
- het bewezenverklaarde opzet op de dood van het slachtoffer niet uit de bewijsmiddelen blijkt.
Het openbaar ministerie heeft geklaagd dat het hof nader had moeten motiveren waarom het de “voorbedachte raad” (voorwaarde voor een veroordeling voor moord) niet bewezen heeft geacht en dat zijn desbetreffende oordeel – zonder zodanige nadere motivering – niet begrijpelijk is.
Op 25 oktober 2005 heeft advocaat-generaal mr. J. Wortel in zijn conclusie de Hoge Raad geadviseerd de cassatieberoepen te verwerpen.
Uitspraak Hoge Raad:
In zijn uitspraak van 28 maart 2006 heeft de Hoge Raad de klachten verworpen en geoordeeld dat
- het oordeel van het hof dat geen inbreuk is gemaakt op de verklaringsvrijheid van de verdachte voldoende is gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is;
- het hof de hierboven bedoelde verklaringen voor het bewijs mocht gebruiken;
- het hof het opzet uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden.
De klacht van het openbaar ministerie heeft de Hoge Raad verworpen.
Gevolgen van deze uitspraak:
Met deze uitspraak van de Hoge Raad is de veroordeling van de verdachte onherroepelijk geworden.

