De maatschap-oude stijl verdwijnt. Ervoor in de plaats komt de openbare vennootschap, al dan niet met rechtspersoonlijkheid. De wijziging heeft vérstrekkende gevolgen voor de aansprakelijkheid van de vennoten. “Het is niet flink om te zeggen: ach, kan me niks schelen. Als je de aansprakelijkheid kunt beperken, moet je dat doen.”
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
‘Maatschap is eene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.’ Zo werd het in 1838 opgeschreven, en tot op de dag van vandaag is het de geldende definitie voor de maatschap die vrije beroepers gezamenlijk voeren. Maar terwijl het overgrote deel van het Burgerlijk Wetboek in de naoorlogse decennia werd gewijzigd of althans werd geactualiseerd, is de wetgeving omtrent de personenvennootschap in tweehonderd jaar nauwelijks veranderd.
Modernisering van het personenvennootschapsrecht is dan ook zelden op een prioriteitenlijstje aangetroffen. Alles wat ermee te maken heeft, gebeurt op z’n elf-endertigst. Zo werd de opdracht tot het schrijven van een voorontwerp in de jaren ’60 verstrekt aan professor Van der Grinten. Diens voorstel uit 1972 belandde voor langere tijd in een stoffige lade. Dringender zaken streden om voorrang. Pas in 1996 werd het weer opgepikt door de toenmalige minister van justitie Sorgdrager, die een opdracht verstrekte aan regeringscommissaris Maeijer om samen met de ambtenaren van Justitie, een wetsontwerp voor te bereiden. Maeijer ging niet over één nacht ijs en legde zijn oor te luisteren in het veld, bij onder andere de Vereeniging van Handelsrecht. Dat leidde tot een definitief wetsvoorstel dat in december 2002, de dag vóór het kerstreces, aan de Tweede kamer werd aangeboden.
De Tweede Kamer zond het stuk nog een paar keer terug, maar in januari 2005 werd het voorstel dan toch aangenomen. Daarna werden er in de Eerste Kamer nog vragen over gesteld, kwamen er vanuit de praktijk nog een paar op- en aanmerkingen, en moest het ministerie van Financiën opgepord om de fiscale begeleidingswet te schrijven. Toen was het wachten op een invoeringswet, waarin de overgang van de oude naar de nieuwe situatie werd geregeld. Inmiddels is ook die aanpassings- en invoeringswetgeving met de stofkam van de Raad van State behandeld en wordt het definitieve voorstel, mét de fiscale begeleidingswet en de invoeringswet, als alles goed gaat een dezer dagen aan de Kamer aangeboden. De nieuwe wet zou dan al per 1 januari 2008 in werking kunnen treden.
Versnipperd
Al met al geen wetgevingsproces dat met grote urgentie is omgeven, erkent Niek Zaman, notaris bij Loyens en Loeff Rotterdam en bijzonder hoogleraar notariëel ondernemingsrecht bij het Molegraaff Instituut van de Universiteit van Utrecht. Zaman volgt het proces op de voet. Toch is het nodig, zegt Zaman, om het nu maar eens gewoon te regelen. “Laten we dat ding nou maar eens invoeren. Vooruit met de geit. Want het oude recht voldoet allang niet meer.”
Waarom niet?
Zaman: “Ten eerste: het is veel te versnipperd. Een deel van de wetgeving staat in het oude Burgerlijk Wetboek, de rest in het Wetboek van Koophandel. Dat is onhandig. Daarnaast is de tekst volledig verouderd. Het is archaïsch Nederlands. Niemand begrijpt dat nog. Maar het belangrijkste is dat je, als je de wet leest, eigenlijk niet weet hoe het ís. Er is zoveel jurisprudentie bijgekomen, dat je aan de wetgeving helemaal niks hebt. Het is wel een basis, maar het recht dat erop gebaseerd is, is anders dan je op het eerste gezicht uit de wet zou halen. Dus het voldoet niet meer aan de eisen van de tijd.
“Wat het ministerie nu heeft gezegd, is: op basis van die jurisprudentie en de literatuur maken we nieuwe wetgeving. Waarbij, niet onbelangrijk, ook rekening is gehouden met wetgeving in het buitenland. Als je de memorie van toelichting leest, zie je dat er duidelijk is gekeken naar hoe het in Duitsland, Frankrijk, België of Amerika is geregeld. Want ook daar is de wetgeving de afgelopen jaren enorm gemoderniseerd. Wat dat betreft lopen we op dit terrein echt vér achter.”
Want de praktijk heeft de theorie ingehaald. De maatschap was aanvankelijk bedoeld als bedrijfsvorm voor beoefenaren van de vrije beroepen, en de vennootschap onder firma voor het bedrijf. Daar is de wet ook op ingericht. Maar in de praktijk zijn beroep en bedrijf allang naar elkaar toegegroeid, zegt Zaman. “Advocaten bijvoorbeeld. Soms zitten ze met z’n tweeën, maar je hebt er ook die met honderd of tweehonderd man bij elkaar zitten. Hetzelfde geldt voor accountants en notarissen. Dat zijn organisaties, bedrijven. De individuele beroepsuitoefening is er natuurlijk nog wel. Maar de toekomstige vennootschap is er zowel voor het beroep als voor het bedrijf. Het onderscheid verdwijnt.”
En daarmee verdwijnt ook het hele begrip ‘maatschap.’ In de plaats daarvan wordt in de toekomst alleen nog het begrip vennootschap gebruikt. Naast de stille vennootschap, zoals die ook nu al bestaat, zal in het toekomstige systeem een openbare vennootschap komen. De openbare vennootschap heeft als bijzondere vorm de commanditaire vennootschap (cv). De cv wordt ook nu al vaak gebruikt om tijdelijke samenwerkingsverbanden te organiseren, zoals film-cv’s of beleggings-cv’s.
Poldermodelcompromis
In de nieuwe situatie zullen zowel de cv als de openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid krijgen, althans: als ze daarvoor kiezen. Dat heeft vooral praktische voordelen. Zaman: ” Stel: je koopt met z’n allen een pand. Elke maat is voor deel eigenaar van dat pand. Als iemand vervolgens uittreedt, of ermee stopt, dan moet dat stukje van diegene aan de anderen worden geleverd. Als er een opvolger is, moet er aan die opvolger worden geleverd. Dus je moet leveringsaktes maken, naar het Kadaster, misschien iets met een hypotheekakte regelen. Kortom: een heel gedoe. Maar als zo’n vennootschap rechtspersoonlijkheid heeft, ben je daarvan af. Want dan koopt de rechtspersoon het pand, en hoef je bij wisselingen niet alles te veranderen.”
Zaman had overigens liever gezien dat vennootschappen sowieso rechtspersoonlijkheid kregen. Zaman: “Zoals het nu is geregeld moet je er bewust voor opteren. Dat is destijds een keuze geweest. Professor Maeijer wilde helemaal geen rechtspersoonlijkheid. Hij vond dat er geen behoefte aan was. In de praktijk zeiden ze: we willen het wél. Je hebt nu eenmaal altijd met die goederenrechtelijke problematiek te maken. Toen zei Mayer: okay, maar ik wil het niet verplicht stellen, dus dan wordt het maar een optie. Een typisch poldermodelcompromis.”
Dat de vennoten in de nieuwe situatie hoofdelijk aansprakelijk zijn, net als hun collega-ondernemers in andere bedrijven, is winst, zegt Zaman. “De nieuwe wetgeving is er op gericht om de schuldeisers te beschermen. En terecht. Nu kun je je als maatschap, met een gedeeltelijke aansprakelijkheid, toch gedragen als een bedrijf. Dat vond men een beetje teveel van het goede: wel de lusten, niet de lasten. Waarom is iemand in een firma, bijvoorbeeld een schildersbedrijf, als het misgaat wél hoofdelijk aansprakelijk, en iemand die in een maatschap zit niet?”
Eng
Toch kunnen de vennoten van een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid de hoofdelijke aansprakelijkheid beperken. Onder bepaalde omstandigheden bestaat de mogelijkheid om een ovr om te zetten in een besloten vennootschap. Zaman: “Vroeger kon dat niet zomaar, hooguit met wat tussenstapjes. Maar er is een nieuwe regeling die zegt: als je een ovr bent, en je legt vast in een akte dat je een bv wordt, en je krijgt ook nog toestemming van de rechter, dan kun je van een ovr met onbeperkte aansprakelijkheid, overstappen naar een bv met beperkte aansprakelijkheid. Daarbij moet je natuurlijk wel rekening houden met de fiscale verschillen.”
Voor een notaris misschien geen slecht idee. Want die hoofdelijke aansprakelijkheid zou in de praktijk wel eens vies zuur kunnen uitpakken, denkt Maarten Meijer van Meijer Notarissen uit Amsterdam. Welke rechtsvorm zijn maatschap in de toekomst aan zal nemen, weet hij nog niet. “Daar moeten we nog over vergaderen.” Maar dat er terdege rekening gehouden zal worden met beperking van de hoofdelijke aansprakelijkheid ligt voor de hand. Hem ligt een conflictueze boedel die zich al vijftien jaar voortsleept, kristalhelder op het netvlies. Erger nog: er dreigt een klacht tegen hem die de zaak nog wel eens een paar jaar vooruit zou kunnen stuwen.
Dat geeft een onrustig gevoel, vindt ook Hans Borren, sinds 1984 kantoorgenoot van Meijer. Borren: “We weten redelijk van elkaar hoe we werken en wat we doen. Dus ik ben niet direct bang dat mijn maten enorme brokken zullen maken. Maar als er dan toch vervelende claims zouden zijn, die uit zijn koker komen, dan is het vervelend dat ik daar, gesteld dat hij geen verhaal zou bieden, opeens zelf op aangesproken zou worden. Dat is gewoon oneerlijk.”
Dicht timmeren
Volgens Meijer en Borren is er dan ook veel te zeggen om van de maatschap een bv te maken, waarin de maten via persoonlijke houdstervennootschappen aandeelhouders zijn; een constructie die veel wordt gebruikt door bijvoorbeeld belastingconsulenten of advocaten om ‘de boel dicht te timmeren.’ Meijer: “Een andere reden om het op zo’n eenvoudige manier te doen is om de medewerkers, en met name kandidaat-notarissen, makkelijker een bepaald economisch belang in het kantoor te kunnen bieden. Door winstdelingsrecht, certificaten, of aandelen.”
Want daarin ligt volgens de Amsterdammers het voordeel van een openbare vennootschap. Borren: “Je kunt, anders dan in een bv, je zaken vrij soepel regelen. De bv heeft een heel strak kader waarin je alles moet doen: de waardering van aandelen bij overdracht, de blokkeringsregeling. Bovendien is de zeggenschap in de bv gelijk aan de kapitaalinbreng. In een ov ligt dat makkelijker, en dat is prettig als je afspraken wil maken over simpele, praktische dingen: hoe gaan we met vakantie, wat doen we in de onkostensfeer, wat doe je bij ziekte. Allemaal dingen die je in een bv niet kunt regelen, en in een vennootschapscontract wél.”
Meijer: “Precies.”
Daarmee lijkt het pleit min of meer beslecht- vergadering gesloten. Het is de vraag of andere maatschappen veel meer tijd aan de keuze voor een nieuwe rechtsvorm van hun eigen kantoor zullen besteden. De meesten zullen het waarschijnlijk druk genoeg hebben met het adviseren van cliënten over hun toekomstige rechtsvorm-op-maat, en het maken van akten voor bedrijven die opteren voor rechtspersoonlijkheid.
Maar er zijn notariskantoren die zich niet alleen inhoudelijk over de nieuwe regeling moeten uitspreken. Bij Notarismaatschap De Rivieren uit Andel zijn ze daar in elk geval niet mee bezig, zegt Robert Salomons. “Tegen de tijd dat de nieuwe wet dáár is, gaan we met een paar mensen om de tafel zitten, en bouwen we het contract in een paar uurtjes om. Wat ons nog de meeste zorgen baart, is onze naam. Die luidt officiëel: Notaris Maatschap De Rivieren. De vraag is dus: passen we die aan of niet? maar we liggen er niet van wakker, laat ik het zo maar zeggen.”
Dat de notaris het door de nieuwe wetgeving de komende tijd drukker krijgt ligt voor de hand. Niek Zaman verheugt zich: “Niets is modelmatig, het wordt allemaal maatwerk. Waar het notariaat nogal eens de naam heeft van ‘modellenridders, die een akte uit de kast trekken,’ kan dat hier helemaal niet. Het luistert echt heel nauw, ook in de wet. Soms is het dwingend recht, soms is het regelend recht. Soms zit het er tussenin. Dus je moet echt goed kijken: wat willen ze nou, en hoe schrijf ik dat op? Niks: Model 2A, en veel plezier ermee.”
Tatiana Scheltema

