Over de reikwijdte van redelijke wetstoepassing en de reikwijdte van redelijke belangenafweging van de inspecteur blijken rechters niet altijd tot hetzelfde oordeel te komen. Dit blijkt uit een uitspraak van Hof Den Haag.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De zaak betrof een man en een vrouw die het negatieve saldo uit eigen woning (€ 2.363) in 2004 zodanig hadden verdeeld dat de man € 2.362 kreeg toebedeeld en de vrouw € 1. De aangifteapplicatie van de belastingdienst maakte destijds deze verdeling automatisch als de partners alle negatieve inkomsten uit eigen woning aan een van hen toedeelden. De vrouw ontving daarop een voorlopige aanslag met een teruggaaf van € 2. Later ontving zij een definitieve aanslag met een te betalen bedrag van € 222.
De rechtbank vond dat de wettelijke regeling in dit geval leidde tot een onevenredig nadelig gevolg en vernietigde de definitieve aanslag. De inspecteur had bij zijn belangafweging niet tot het opleggen van de aanslag kunnen komen. Hof Den Haag wijst de redenering van de rechtbank geheel van de hand. De inspecteur was volgens de (toenmalige) wet verplicht om een aanslag op te leggen als een verzoek om een voorlopige teruggaaf was ingediend. Voorts moet de wet correct worden uitgevoerd, aldus het hof.
Op 7 augustus 2006 hebben we bericht over een uitspraak van Rechtbank Den Haag over een ongelukkig uitpakkend verzoek om een voorlopige teruggaaf. De zaak betrof een man en een vrouw die het negatieve saldo uit eigen woning (€ 2.363) in 2004 zodanig hadden verdeeld dat de man € 2.362 kreeg toebedeeld en de vrouw € 1. De aangifteapplicatie van de belastingdienst maakte destijds deze verdeling automatisch als de partners alle negatieve inkomsten uit eigen woning aan een van hen toedeelden. De vrouw ontving daarop een voorlopige aanslag met een teruggaaf van € 2. Later ontving zij een definitieve aanslag met een te betalen bedrag van € 222.
De rechtbank was van mening dat de wettelijke regel “na voorlopige aanslag volgt een definitieve aanslag” in dit geval tot een onevenredig nadelig gevolg had geleid. De rechtbank gaf aan dat de inspecteur in deze omstandigheid uitvoering had moeten geven aan het wettelijke voorschrift van redelijke belangenafweging door bestuursorganen en dat hij de definitieve aanslag uit deze hoofde achterwege had moeten laten. De rechtbank vernietigde daarop de definitieve aanslag.
De inspecteur ging in hoger beroep bij Hof Den Haag. Het hof merkte op dat de door de rechtbank voorgestane redelijke wetstoepassing er niet toe kan leiden dat een wetsbepaling –die juist op de onderhavige situatie van toepassing is- buiten toepassing wordt gelaten en een andere (wel tot het gewenste redelijke resultaat leidende) wetsbepaling van toepassing wordt verklaard. De wet moet correct worden toegepast.
Het hof bracht ook een nuance aan op de redenering van de rechtbank over de redelijke belangenafweging. Deze redenering doet alleen opgeld als de inspecteur in de gegeven situatie een zekere beleidsvrijheid heeft. Echter in de (tot en met 2004) geldende wettekst beschikte de inspecteur niet over die vrijheid. Hij was volgens de wet verplicht de definitieve aanslag op te leggen, omdat voorafgaand een voorlopige aanslag was opgelegd.
Het hof vond dat de rechtbank in zijn redenering over redelijke belangenafweging van de inspecteur en toetsing daarvan door de rechter een stap te ver was gegaan. Bij het opleggen van een voorlopige aanslag heeft de inspecteur wel enige beleidsvrijheid. Het hof overweegt dat de rechter die vrijheid slechts beperkt mag toetsen. Hij zal niet tot in alle details nagaan wat nog wel en wat niet meer evenredig is. De rechter zal pas ingrijpen als de inspecteur redelijkerwijs niet had kunnen menen dat hij een voorlopige aanslag had moeten vaststellen.
Het hof concludeerde dat het vaststellen van een voorlopige aanslag niet onevenredig kan zijn. Het opleggen daarvan leidt slechts tot het vervroegen van de betaling van de wettelijk verschuldigde belasting. Het hof stelde de vrouw alsnog in het ongelijk.
Opmerking
Tot en met het jaar 2004 legde de belastingdienst onder bepaalde omstandigheden geen aanslag inkomstenbelasting op. Dat was onder meer het geval als de verschuldigde belasting na aftrek van voorheffingen (zoals de loonbelasting en de dividendbelasting) en na verrekening van voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op (uitbetaling van de) heffingskortingen zijn vastgesteld niet meer dan € 217 (jaar 2004) bedroeg. Een voorlopige teruggaaf werd in beginsel altijd gevolgd door een definitieve aanslag tenzij de voorlopige teruggaaf zijn grond vond met het oog op de (uitbetaling van de) heffingskorting.
Vanaf 1 januari 2005 is deze regeling veranderd en legt de belastingdienst slechts dan geen definitieve aanslag op in de gevallen waarin:
- het verschuldigde bedrag volgens de definitieve aanslag na verrekening van voorheffingen en voorlopige teruggaven (ongeacht de reden van de teruggaaf) niet meer dan € 42 (jaar 2007) bedraagt;
- de definitieve aanslag na verrekening van het voorheffingsaldo zou leiden tot een teruggaaf van maximaal € 13.

