Indien u een onroerende zaak koopt, bent u in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Dit geldt ook voor grond, tenzij het gaat om landbouwgronden. De verkrijging daarvan is vrijgesteld van overdrachtsbelasting, mits aan de voorwaarden is voldaan. Over één van die voorwaarden ging de volgende zaak.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Eind december 2001 kochten een vrouw en haar dochter voor een bedrag van ongeveer 500.000 een perceel landbouwgrond. De vrouw verkrijgt het 1/10 deel van de volle eigendom en het vruchtgebruik van het overige 9/10 deel. De dochter verkrijgt het 9/10 deel van de blote eigendom. Zij kopen de grond van twee verkopers die gezamenlijk een landbouwbedrijf exploiteren, deels op eigen gronden en deels op gronden zie zij pachten van de vrouw en dochter. De verkopers willen hun gezamenlijke onderneming verdelen en beiden een eigen agrarische onderneming gaan drijven. Eén van de verkopers heeft de oorspronkelijke onderneming voortgezet en de ander heeft een ander agrarisch bedrijf gekocht, waarbij ook gronden van de vrouw en dochter werden gepacht. Om de verdeling te kunnen financieren was het nodig om een deel van de gronden die de verkopers in eigendom hadden, te vervreemden aan de kopers. De vrouw en dochter oefenen zelf geen landbouwbedrijf uit.
In de akte van levering is een beroep gedaan op de (toen geldende) landbouwvrijstelling in de overdrachtsbelasting, die is geregeld in de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR). Op deze vrijstelling kan een beroep worden gedaan, indien de verkrijging in het belang is van een verbetering van de landbouwstructuur. Een half jaar na de levering legde de inspecteur een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op. Er zou niet zijn voldaan aan de eis dat de verkrijger de landerijen bedrijfsmatig exploiteert. Deze en andere voorwaarden zijn sinds 1 januari 2001 opgenomen in het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer (UBR).
De vrouw tekende bezwaar aan tegen de naheffingsaanslag en toen dat niet het gewenste resultaat had, ging zij in beroep bij Hof Amsterdam.
De vrouw stelde dat sprake was van een verbetering van de landbouwstructuur en beriep zich daarbij op rechtspraak van de Hoge Raad, die was gewezen voordat het uitvoeringsbesluit in werking trad. Volgens die rechtspraak kon ook sprake zijn van een verbetering van de landbouwstructuur, indien de verkrijger van landerijen deze niet zelf in gebruik neemt, maar meteen aan een ander verpacht. Een ander argument van de vrouw was dat uit de toelichting bij het Belastingplan 2001 blijkt dat de criteria voor de landbouwvrijstelling in de overdrachtsbelasting zouden worden vereenvoudigd en verruimd. Bovendien stelde zij dat het vereiste van bedrijfsmatige exploitatie in het UBR is opgenomen om tegen te gaan dat degene die uit liefhebberij landerijen exploiteert, gebruikmaakt van de vrijstelling.
Hof Amsterdam overwoog dat met de bewuste bepaling in het UBR is beoogd de criteria waaraan moet worden getoetst of sprake is van verbetering van de landbouwstructuur, wettelijk vast te leggen. De wetgever was hiertoe ook bevoegd. Dit heeft tot gevolg dat eerdere rechtspraak zijn belang heeft verloren, indien daarin de uitleg van de wettelijke regeling afwijkt van de later vastgestelde criteria, tenzij blijkt dat dit niet de bedoeling van de besluitgever kan zijn geweest. Het hof was het niet met de vrouw eens dat uit de toelichting bij de invoering van de bewuste bepaling in het UBR kan worden afgeleid dat de eis van bedrijfsmatige exploitatie ruimer moet worden toegepast dan uit de tekst ervan blijkt. Hof Amsterdam oordeelde dat de criteria niet in strijd zijn met het wettelijke vereiste in het belang van een verbetering van de landbouwstructuur en verklaarde daarop het beroep van de vrouw ongegrond. De zaak kwam voor de Hoge Raad.
De Hoge Raad is het niet eens met de uitspraak van het hof. Door met ingang van 2001 de eis te stellen dat de verkrijger de landbouwgronden bedrijfsmatig exploiteert, beperkt het uitvoeringsbesluit het begrip verbetering van de landbouwstructuur zoals dit begrip luidt op grond van de wet en de uitleg die daaraan is gegeven in de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad. Noch uit de tekst van de wet, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan volgt dat de wetgever heeft beoogd een zo vergaande bevoegdheid te delegeren aan de besluitgever en daarom is de eis van bedrijfsmatige exploitatie in strijd met de wet, aldus de Hoge Raad, die deze bepaling uit het UBR vervolgens op dit punt onverbindend verklaart.
De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens terug naar het hof. Het hof mag dus het gewraakte onderdeel van het UBR niet toepassen en moet zo merkt de Hoge Raad aan het eind van zijn uitspraak op alsnog beoordelen of onder de gegeven omstandigheden sprake is van een verkrijging met de bedoeling tot verbetering van de landbouwstructuur.

