De vereniging Revalidatie Nederland en 16 van haar leden die hun zorggerelateerde omzet hoofdzakelijk behalen met het leveren van medisch-specialistische revalidatiezorg (revalidatiecentra) hebben zich op 10 maart 2011 tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek bij wijze van voorlopige voorziening de aan de revalidatiecentra gerichte tariefbeschikkingen te schorsen.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Bij die beschikkingen heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) het voor de revalidatiecentra beschikbare budget per 1 januari 2011 met ruim 2,3% neerwaarts bijgesteld. Hiermee heeft NZa uitvoering gegeven aan de aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 november 2010, waarin is bepaald dat in verband met een geconstateerde overschrijding van het ziekenhuiskader 2009 voor zorg geleverd door ziekenhuizen, waaronder begrepen instellingen voor revalidatiezorg, per genoemde datum een korting van structureel € 314 miljoen wordt opgelegd.
Verzoeksters zijn van mening dat de revalidatiecentra van deze generieke tariefmaatregel hadden moeten worden uitgezonderd, omdat zij aan de overschrijding van het ziekenhuiskader aantoonbaar niet hebben bijgedragen en, door de wijze waarop zij worden gebudgetteerd, ook niet hebben kunnen bijdragen. Om die reden en omdat cruciale verschillen tussen de revalidatiecentra en (algemene) ziekenhuizen en effecten voor de kwaliteit van de revalidatiezorg niet zijn onderkend, achten zij het toepassen van de generieke korting op de revalidatiecentra onmiskenbaar onrechtmatig.
Bij uitspraak van 29 april 2011 heeft de voorzieningenrechter van het College de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. De in deze voorlopige voorzieningenprocedure aan de orde zijnde vraag of zeer ernstig betwijfeld moet worden of de tariefbeschikkingen overeind kunnen blijven om de reden dat de aanwijzing van de minister kennelijk onrechtmatig is, moet volgens de voorzieningenrechter ontkennend worden beantwoord. De voorzieningenrechter ziet voorshands geen grond voor het oordeel dat de minister met die aanwijzing buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden. Naar voorlopig oordeel heeft de minister bij het geven van de aanwijzing in redelijkheid doorslaggevende betekenis kunnen toekennen aan het thans, door middel van een geheel generieke maatregel, terugdringen van de structurele, sectorbrede overschrijding van het ziekenhuiskader en heeft hij het belang van de individuele ziekenhuizen, waaronder de revalidatiecentra, daaraan ondergeschikt kunnen maken.

