Hof Den Haag had in september 2010 een belangwekkende uitspraak gedaan over de toepassing van de zogeheten werktuigenvrijstelling op installaties die buiten staan opgesteld. Het hof legt voor de werktuigenvrijstelling een bepaalde toets aan -de toets van de uiterlijke herkenbaarheid- die voortaan niet op alle installaties afzonderlijk moet worden uitgevoerd zoals nu nog vaak gebeurt, maar mogelijk naar het niveau van de gehele productieplant kan worden getild. Dit betekent dat veel meer onderdelen geheel vrijgesteld kunnen worden.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De procedure betrof een olietankterminal waarvan de op- en overslagtanks het beeldbepalende element vormden en niet de daaraan dienstbare leidingwerk, meet- en regelstation en laad- en losarmen. Deze laatste drie onderdelen vallen onder de werktuigenvrijstelling omdat ze zelf geen essentieel onderdeel zijn voor de uiterlijke herkenbaarheid van de olietankterminal. Onlangs is de conclusie van Advocaat-Generaal IJzerman in deze procedure gepubliceerd. De A-G is van mening dat het hof voor zijn oordeel de juiste maatstaven heeft aangelegd en de tankterminal terecht in zijn geheel als één gebouwd eigendom heeft beschouwd om vervolgens te oordelen welke delen van de tankterminal kwalificeren als onroerende secundaire werktuigen waarvan de waarde buiten beschouwing wordt gelaten op grond van de werktuigenvrijstelling.
Hof Den Haag had op 28 september 2010 een belangwekkende uitspraak gedaan over de toepassing van de zogeheten werktuigenvrijstelling op installaties die buiten staan opgesteld. Voor de toepassing van de werktuigenvrijstelling moet altijd worden voldaan aan de criteria dat het werktuig dienstbaar is aan het productieproces en verwijderbaar is zonder beschadiging van betekenis. In de praktijk betekent dit dat de waarde van werktuigen die na verwijdering (eventueel door demontage en montage) elders weer als zodanig kunnen functioneren is vrijgesteld. Voor werktuigen die op zichzelf kwalificeren als gebouwd eigendom (hetgeen door de gemeente al snel wordt aangenomen als het werktuig buiten staat opgesteld) komt daarbij het extra vereiste dat met de verwijdering de uiterlijke herkenbaarheid van het werktuig/gebouwd eigendom als zodanig niet mag worden aangetast.
De procedure voor Hof Den Haag betrof een olietankterminal die -kort gezegd- uit op- en overslagtanks, leidingwerk, meet- en regelstation laad- en losarmen bestond. Het hof was van oordeel dat de onderhavige olietankterminal als één gebouwd eigendom was aan te merken. De leidingen, laad- en losarmen meet- en regelstation waren daar een (onzelfstandig) onderdeel van en vormden niet op zichzelf een (zelfstandig) gebouwd eigendom. Dit criterium komt terug bij de werktuigenvrijstelling. Het hof was verder van oordeel dat de op- en overslagtanks het beeldbepalende element (het criterium van uiterlijke kenbaarheid) van de olietankterminal vormden en niet de daaraan dienstbare leidingwerk, meet- en regelstation en laad- en losarmen. Deze laatste drie onderdelen vielen daarom in de werktuigenvrijstelling en maakten daardoor geen deel uit van de WOZ-waarde van de olietankterminal. De gemeente stelde daarop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De gemeente bestrijdt dat het leidingwerk en de laadarmen onder de werktuigenvrijstelling vallen en stelt dat de tankterminal bestaat uit meerdere afzonderlijke, zelfstandige werktuigen zijnde op zichzelf gebouwde eigendommen, vanwege de eigen functie in het productieproces. In de opvatting van de gemeente zijn als op zichzelf gebouwd eigendom zijn aan te merken: a. de olietanks (opslagfunctie), b. het leidingwerk (transportfunctie), c. de laad- en losarmen (overslagfunctie).
Onlangs is de conclusie van Advocaat-Generaal IJzerman in deze procedure gepubliceerd. De A-G is op basis van de wetsgeschiedenis en het ruimere begrip ‘gebouwd eigendom’ van mening dat het hof voor zijn oordeel de juiste maatstaven heeft aangelegd en de tankterminal in zijn geheel als één gebouwd eigendom heeft beschouwd en vervolgens heeft beoordeeld welke delen van de tankterminal kwalificeren als onroerende secundaire werktuigen waarvan de waarde buiten beschouwing wordt gelaten op grond van de werktuigenvrijstelling.
Verder merkt de A-G op dat voor de toepassing van het criterium van ‘uiterlijke kenbaarheid’ het nodig kan zijn ook kennis te nemen van productieprocessen en de samenhang daartussen. Hij is daarbij van mening dat de door de gemeente voorgestane, ’theoretisch gefundeerde indeling in functiegroepen’, teveel afstand wordt genomen van het beslissende criterium van ‘uiterlijke kenbaarheid’. Ook is hij van mening dat het opknippen van een op einddoelen gericht productieproces in deelprocessen -die individueel juist geen zelfstandig productieproces vormen- het zicht op de einddoelen van het productieproces eerder belemmert dan verheldert. De A-G concludeert daarop dat het beroep in cassatie van de gemeente niet gegrond is.

