Ingeval van een echtscheiding, scheiding van tafel en bed of een ontbinding van een geregistreerd partnerschap kunnen huurder en/of medehuurder de rechter verzoeken om huurder van de gehuurde woonruimte te worden. Toewijzing van een dergelijk verzoek brengt mee dat de andere echtgenoot ophoudt (mede)huurder te zijn. De andere huurder zal na toewijzing van voornoemd verzoek aldus niet langer het recht hebben de huurwoning te huren. Een onzekere situatie ontstaat echter wanneer scheidende echtgenoten of partners een minnelijke regeling treffen en deze regeling door de rechter slechts in algemene zin wordt bekrachtigd.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft zich inmiddels over voornoemde kwestie gebogen. Een echtpaar besluit te gaan scheiden en tekent een echtscheidingsbeschikking. Voorts sluiten partijen een zogeheten convenant, waarin wordt afgesproken dat de activa en passiva van de huwelijksgemeenschap naar de man gaat. Tijdens het huwelijk heeft het echtpaar een huurovereenkomst gesloten voor een woonruimte.
Na de echtscheiding ontvangt verhuurder geen huurpenningen meer en een betalingsachterstand ontstaat. Om die reden dagvaart de verhuurder zowel de man als de vrouw. De vrouw voert als verweer dat zij geen huurster meer is, daar de huurrechten op grond van het convenant en de echtscheidingsbeschikking zijn toegedeeld aan de man. De rechtbank volgt het verweer, omdat de huur met de vrouw is beëindigd toen de beschikking onherroepelijk werd. De verhuurder heeft zich aldus ten onrechte tot de vrouw gewend ten aanzien van de achterstallige huurpenningen na het onherroepelijk worden van de beschikking.
Verhuurder stelt hoger beroep in en stelt dat in artikel 7:266 lid 5 is opgenomen dat de rechter ‘kan bepalen’ wie van partijen huurder van de woning zal zijn. Daarvan zou in de onderhavige situatie geen sprake zijn geweest, aldus de verhuurder. Het gerechtshof ’s-Gravenhage oordeelde dat indien de rechter een echtscheidingsconvenant heeft bezegeld, maar niet uitdrukkelijk heeft bepaald wie van partijen de huurder wordt, de huur van beide echtgenoten niet ten einde komt.
Het Gerechtshof achtte in het arrest voorts dat in de onderhavige situatie een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd. Om die reden kon de voormalige echtgenote toch niet aansprakelijk worden gehouden voor de achterstallige huur. Omstandigheden die tot voornoemd oordeel leidden, waren o.a. dat de verhuurder wist dat de vrouw niet meer in de woning woonde, dat de verhuurder de vrouw nergens meer bij had betrokken en dat de verhuurder de vrouw niet in de gelegenheid had gesteld haar koopoptie uit te oefenen.
Het is bij een echtscheiding aldus raadzaam om ingeval van een huurwoning de rechter te verzoeken uitdrukkelijk te bepalen welke echtgenoot na de echtscheiding als huurder van de woning wordt aangemerkt. Naar aanleiding van voornoemd arrest is het van belang dat zowel een verhuurder als een huurder zich realiseert, dat een beschikking van de rechter waarin het echtscheidingsconvenant wordt bekrachtigd niet per definitie impliceert dat de partij die niet langer huurt ook gevrijwaard is van aanspraken van de verhuurder. In de beschikking dient aldus te worden opgenomen wie van partijen huurder van de woning blijft.
mr. Maud van Steijn, Kneppelhout & Korthals

