Rechtbank Arnhem heeft onlangs beslist dat lunchritten naar huis met de auto van de zaak niet kwalificeren als privégebruik van de auto van de zaak. Daardoor tellen deze rijkilometers niet mee voor het maximaal toegestane privégebruik van 500 km op jaarbasis, waarbij loonbijtelling wegens privégebruik van de auto van de zaak achterwege mag blijven. De rechtbank baseerde zijn oordeel op de wetsgeschiedenis van de wettelijke regeling voor de auto van de zaak. Daaruit blijkt dat de frequentie van het woon-werkverkeer niet van belang is.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Voor het privégebruik van een auto van de zaak bestaan sinds 1 januari 2009 drie bijtellingspercentages voor de loonbelasting of de inkomstenbelasting: 25% voor een ‘gewone’ personenauto van de zaak, 20% voor een zuinige auto en 14% voor zeer zuinige auto’s. Voor bestelauto’s gelden enige aanvullende regels.
Rechtbank Arnhem heeft onlangs een uitspraak gedaan over de vraag of lunchritten naar huis met de auto van de zaak kwalificeren als privégebruik van de auto van de zaak. De procedure betrof een directeur-grootaandeelhouder (dga) die met een auto van de zaak gewoonlijk naar huis toe reed om daar zijn lunch te gebruiken en in voorkomende gevallen daar ook zakelijke werkzaamheden verrichtte. De afstand woon-werkverkeer was 2,6 km. De auto van de zaak had een cataloguswaarde van € 120.154. De dga hield een sluitende rittenadministratie bij. In privé had hij de beschikking over een andere personenauto.
De inspecteur was van mening dat de lunchritten niet kwalificeerden als woon-werkverkeer en legde de dga over 2006 en 2007 naheffingsaanslagen loonheffing/premie volksverzekeringen op met 50% boete en heffingsrente. De dga ging in beroep bij Rechtbank Arnhem en stelde dat alle woon-werkverkeer volgens wetsfictie als zakelijke kilometers kwalificeren.
De rechtbank ging te rade bij de wetsgeschiedenis van de wettelijke regeling voor de auto van de zaak. Daaruit blijkt dat het recht om de auto van de zaak voor woon-werkverkeer te gebruiken, fiscaal wordt gelijkgesteld met vanwege de werkgever georganiseerd vervoer dat voor de loonbelasting op nihil wordt gewaardeerd (en waarvoor loonbijtelling dus achterwege mag blijven). Uit de wetsgeschiedenis blijkt ook dat de frequentie van het woon-werkverkeer niet van belang is.
De rechtbank stelde vast dat de dga de lunchritten over dezelfde weg aflegde als aan het begin en het einde van de werkdag. De rechtbank stelde verder vast dat in de wettelijke regeling voor de auto van de zaak in de loon- en inkomstenbelasting geen definitie of nadere uitwerking van woon-werkverkeer was opgenomen. In dat geval vond de rechtbank de passage in de wetsgeschiedenis maatgevend, waarin was aangegeven dat de frequentie van het woon-werkverkeer niet van belang was.
Dit leidde ertoe dat de kilometers van de lunchritten niet meetelden voor het maximaal toegestane privégebruik van 500 km op jaarbasis, waarbij loonbijtelling wegens privégebruik van de auto van de zaak achterwege mag blijven. Op basis van de door de dga bijgehouden rittenadministratie bleek dat zijn privégebruik minder dan 500 km op jaarbasis was en dat loonbijtelling daardoor niet aan de orde was. De rechtbank vernietigde daarom de naheffingsaanslagen.

