Een gemeente kan baatbelasting heffen als een in de gemeente gelegen onroerende zaak is gebaat door voorzieningen die door of met medewerking van de gemeente tot stand zijn gebracht. De gemeente kan de op haar drukkende kosten voor de realisatie van de voorzieningen verhalen via de baatbelasting.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Bij bebouwde onroerende zaken geschiedt het verhaal van de baatbelasting via een heffing ineens of via een heffing over verscheidene jaren. Zijn er naast bebouwde onroerende zaken ook nog onbebouwde onroerende zaken die in de toekomst profijt zullen hebben van de getroffen voorzieningen, zoals bouwterreinen, dan kan de gemeente de baatbelasting verhalen in de grondprijs van een bouwterrein. Het is daarbij wel zaak dat het toerekenen van baatbelasting aan bebouwde en onbebouwde onroerende zaken redelijk en evenwichtig is. Er mag geen sprake zijn van een onaanvaardbaar verschil. Dit uitgangspunt kwam onlangs in een uitspraak van Rechtbank Roermond aan de orde.
Een gemeente kan baatbelasting heffen als een in de gemeente gelegen onroerende zaak is gebaat door voorzieningen die door of met medewerking van de gemeente tot stand zijn gebracht. De gemeente kan de op haar drukkende kosten voor de realisatie van de voorzieningen verhalen via de baatbelasting. Bij bebouwde onroerende zaken geschiedt dit via een heffing ineens of via een heffing over verscheidene jaren. Zijn er naast bebouwde onroerende zaken ook nog onbebouwde onroerende zaken die in de toekomst profijt zullen hebben van de getroffen voorzieningen, zoals bouwterreinen, dan kan de gemeente de kosten daarvan verhalen via de grondprijs van een bouwterrein. Het is daarbij wel zaak dat het toerekenen van baatbelasting aan bebouwde en onbebouwde onroerende zaken redelijk en evenwichtig is. Er mag geen sprake zijn van een onaanvaardbaar verschil. Dit uitgangspunt kwam onlangs in een feitelijke uitspraak van Rechtbank Roermond aan de orde.
In de onderhavige procedure had een bv diverse bezwaren tegen de aan haar opgelegde aanslag baatbelasting 2006 vanwege de door een gemeente getroffen voorzieningen voor de revitalisering van een bedrijventerrein door onder meer de aanleg van een rioleringssysteem voor de afvoer van vuil water en regenwater. De voorzieningen waren in 2005 gereed gekomen. De desbetreffende (inmiddels weggefuseerde) gemeente had zowel baatbelasting geheven via een jaarlijkse heffing als via verhaal op grond van een overeenkomst. Dat laatste betrof een aantal bouwterreinen waarvan de gemeente de baatbelasting in de grondprijs had opgenomen.
De zaak kwam voor Rechtbank Roermond. Deze was van oordeel dat de gemeente niet erg duidelijk was over de vraag of bepaalde panden al dan niet tijdelijk op het nieuw aangelegde rioleringsstelsel waren aangesloten (geweest) en dus of die panden in de baatbelasting betrokken waren (geweest). Ook was nog onduidelijkheid blijven bestaan over de vraag of het rioleringsstelsel was ‘overgedimensioneerd’, dat wil zeggen dat het was berekend op eventuele uitbreidingsplannen. Deze onduidelijkheden zouden voor de rechtbank wellicht reden zijn geweest om de aanslag baatbelasting 2006 niet in stand te laten, maar de rechtbank constateerde al een ander, veel fundamenteler gebrek dat tot onverbindendheid leidde.
De rechtbank had de gemeente gewezen op een arrest van de Hoge Raad uit 1978. In dat arrest had de Hoge Raad -kort gezegd- aangegeven dat moet worden voorkomen dat wat betreft de bijdrage in de kosten onaanvaardbare verschillen ontstaan tussen vergelijkbare, van de voorzieningen profijt trekkende onroerende zaken, indien in het ene geval de bijdrage wordt voldaan op grond van een overeenkomst en in het andere geval de bijdrage wordt voldaan met een heffing van baatbelasting. De rechtbank verzocht de gemeente te reageren op het arrest en ook om berekeningen over te leggen van de toedeling van de kosten via beide verhaalsmogelijkheden. De gemeente kreeg hierbij de mogelijkheid om te weerleggen dat sprake was van een ‘onaanvaardbaar verschil’.
De berekeningen die de gemeente aan de rechtbank had overgelegd, bleken echter fictieve berekeningen te zijn. Het was niet inzichtelijk geworden welk deel van de kosten van de voorzieningen via een baatbelasting en welk deel daadwerkelijk via de grondprijs van bouwterreinen was betaald. Hiermee was het pleit beslecht voor de gemeente. De rechtbank concludeerde dat sprake was van een onaanvaardbaar verschil en verklaarde de onderhavige gemeentelijke verordening baatbelasting onverbindend. Daarmee viel voor de gemeente de basis weg om baatbelasting te kunnen heffen voor de getroffen voorzieningen op het bedrijventerrein. De rechtbank verklaarde het beroep van de bv gegrond en vernietigde de aanslag baatbelasting 2006.

