De Hoge Raad heeft in navolging van twee arresten van 22 januari 2010 een nieuw arrest gewezen over het aanvangsmoment van de terbeschikkingstellingregeling (tbs-regeling). De procedure betrof een man die middellijk aandeelhouder was van een bv en eigenaar was van een pand.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Op 1 januari 2001 was een gedeelte van het pand (een magazijn) aan de bv verhuurd. Het overige gedeelte van het pand had de man tot midden 2000 aan derden verhuurd. In de loop van 2001 was het pand ingrijpend verbouwd en uitgebreid. Per 1 september 2001 had de bv het hele pand betrokken. De man was van mening dat het pand vanaf 1 januari 2001 ter beschikking was gesteld, terwijl de inspecteur het standpunt innam dat dit vanaf 1 september 2001 het geval was.
Hof Arnhem was van oordeel dat het gedeelte van het pand dat was verbouwd, vernieuwd en uitgebreid, niet eerder dan op 1 september 2001 feitelijk door de man ter beschikking was gesteld aan de bv. De Hoge Raad stelde vast dat het hof een ander criterium had toegepast dan het criterium dat volgt uit de arresten van de Hoge Raad. De Hoge Raad vernietigde daarom de hofuitspraak en verwees de procedure naar Hof Den Bosch om vast te stellen of is voldaan aan het criterium van de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft in navolging van twee arresten van 22 januari 2010 een nieuw arrest gewezen over het aanvangsmoment van de terbeschikkingstellingregeling (tbs-regeling). De Hoge Raad herhaalde de rechtsregels uit het eerdergenoemde arrest. Deze regels houden het volgende in. Indien een onroerende zaak wordt aangeschaft met een gezamenlijke bedoeling van de koper en een met hem gelieerde vennootschap (zoals een bv of een vof) om die zaak in gebruik te geven aan die vennootschap en de zaak voor dat gebruik gereed wordt gemaakt, is sprake van terbeschikkingstelling op het moment waarop de onroerende zaak is aangeschaft. Indien die gezamenlijke bedoeling niet in een overeenkomst is neergelegd, kan in voorkomende gevallen toch sprake zijn van terbeschikkingstelling. Dat is het geval als de aanschaf en het gereedmaken zijn geschied onder zodanige omstandigheden dat, indien de (toekomstige) gebruiker van de onroerende zaak een niet-gelieerde persoon zou zijn geweest, met deze persoon over die aanschaf en het gereedmaken voorafgaand afstemming zou hebben plaatsgevonden. Verder kan bij de aanschaf van een onroerende zaak slechts sprake zijn van terbeschikkingstelling, indien vanaf het moment van de aanschaf de onroerende zaak niet op enige andere wijze is gebruikt.
Vervolgens projecteerde de Hoge Raad deze rechtsregels op de zaak in de onderhavige procedure. Dit betrof een man die middellijk aandeelhouder was van een bv en al eigenaar was van een pand. Op 1 januari 2001 was een gedeelte van het pand (een magazijn) verhuurd aan de bv. Het overige gedeelte van het pand had de man tot midden 2000 aan derden verhuurd. In de loop van 2001 was het pand ingrijpend verbouwd en uitgebreid. Tijdens de werkzaamheden stond steeds een wisselend gedeelte ter beschikking aan de bv. De verbouwingswerkzaamheden waren afgestemd op het toekomstig gebruik door de bv. Op 8 augustus 2001 waren verbouwing en nieuwbouw gereed. Het vestigingsadres van de bv was met ingang van 28 augustus 2001 gewijzigd in het adres van het pand. Per 1 september 2001 had de bv het hele pand betrokken.
De man was van mening dat het pand vanaf 1 januari 2001 ter beschikking was gesteld, terwijl de inspecteur het standpunt innam dat dit vanaf 1 september 2001 het geval was.
Hof Arnhem was van oordeel dat het gedeelte van het pand dat was verbouwd, vernieuwd en uitgebreid, niet eerder dan op 1 september 2001 feitelijk door de man ter beschikking was gesteld aan de bv. Het hof verbond daaraan de gevolgtrekking dat dat gedeelte per die datum naar de waarde in het economische verkeer op de werkzaamheidsbalans moest worden opgenomen. De man ging in cassatie bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof een ander criterium had toegepast dan het criterium dat volgt uit de arresten van de Hoge Raad. De Hoge Raad vernietigde daarom de hofuitspraak en verwees de procedure naar Hof Den Bosch om vast te stellen of is voldaan aan het criterium van de Hoge Raad.

