De rechtsstaat mag zich de laatste tijd op veel interesse verheugen. In allerlei media wordt er uitvoerig van gedachten gewisseld over de vraag wat precies de inhoud of de kern van dat begrip is, of het onder druk staat en wat we daar eventueel aan moeten doen. Eén van de andere hoofdmotoren van ons staatsrechtelijke bestel, namelijk democratie, is ook springlevend, maar wordt wat minder overpeinst. Dat is jammer omdat daar wel veel aanleiding toe. Minstens zoveel als tot overpeinzing van de rechtsstaat.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Het CDA-congres van vorige week zaterdag liet bijzonder treffend een aantal dilemma’s zien dat zich voordoet in ieder systeem dat voor democratisch doorgaat. Daarom wordt hier dat welhaast perfecte voorbeeld genomen als uitgangspunt voor reflectie op wat democratie in essentie betekent of zou moeten betekenen. Een vraag die ieder rechtsstelsel moet beantwoorden is waarom het recht überhaupt, en specifiek ook voor minderheden verbindend is. Deze bijdrage poogt een begin van een bevredigend antwoord op die vraag te formuleren. Daarbij zal duidelijk worden dat het democratische antwoord geen ruimte laat voor politiek particularisme, en dat daarvan de laatste tijd wel in betekenisvolle mate sprake lijkt te zijn.
Democratie als zelfregering
Eén van de lastigste problemen van de democratische gedachte is dat die zich enerzijds baseert op de principiële gelijkheid en vrijheid van individuen, maar anderzijds het volk (als politieke eenheid) de bevoegdheid tot (zelf)regering toekent. Het meestgebruikte instrument om van individuen theoretisch tot één volk te maken, namelijk de idee van het ‘maatschappelijk verdrag’, is noodzakelijkerwijs een fictie. Als individuen immers principieel vrij geboren worden en er geen natuurlijke rechtsorde bestaat waaraan zij juridisch gebonden zijn, moet er een argument gevonden dat die binding wel bewerkstelligt, terwijl hij het recht in kwestie evident niet zelf heeft vastgesteld. Het construct van het maatschappelijk verdrag betekent hier dat er simpelweg vanuit gegaan wordt dat individuen liever in een geregelde rechtsorde leven dan in een anarchistische chaos. Al was het maar omdat zij anders weliswaar vrij, maar ook zonder rechten zouden zijn, althans zonder bescherming daarvan. Of omdat zij gebruikmaken van de voorzieningen van de staat.
Democratie belooft dus zelfregering door een volk, hetgeen in beginsel betekent dat het volkomen vrij is te beslissen welke kant het op moet. ‘Het volk’ is als zodanig echter niet tot handelen in staat. Iemand moet het tot handelen brengen door een vergadering te beleggen en daar procedures voor vast te stellen. Een bestuur of iets dergelijks moet bijvoorbeeld de locatie, het tijdstip en de vergaderprocedures bepalen. Zelfs waar dit probleem niet speelt omdat dergelijke procedures al vaststaan en eigenlijk ook wel duidelijk is waarover de vergadering zou moeten gaan, is het volk toch niet goed in staat tot daadwerkelijke zelfregering: Hoewel het CDA-congres ‘maar’ ca. 4800 leden trok (ca. 7% van het totaal aantal leden), kwam er van echt vergaderen toch maar weinig terecht. Het is met zoveel mensen simpelweg niet mogelijk om echt van gedachten te wisselen en elkaar te bevragen op standpunten en onderliggende motieven.
Wie zoals filosoof Jean-Jacques Rousseau dus daadwerkelijke zelfregering door het volk voor ogen staat, zal er genoegen mee moeten nemen dat van een echt debat geen sprake kan zijn. Het volk kan dan wel zelf stemmen, maar niet tot een inhoudelijke gedachtewisseling komen. Elke kijker van het CDA-congres zal zijn opgevallen dat het congres vooral een lange aaneenschakeling was van meer of minder goed geslaagde oneliners. Ook Bijleveld en De Jager, die redelijk wat tijd kregen om de gepresenteerde akkoorden te verdedigen, konden de klagers niet bevragen op hun standpunt en moesten maar hopen dat ze goed begrepen hadden wat precies het punt was dat zij in hun minuut spreektijd naar voren wilden brengen. Niet voor niets wordt dan ook wel eens gesteld dat referenda en andere volksstemmingen het debat platslaan en verengen tot een enkel ‘voor’ of ‘tegen’.
Vertegenwoordiging als praktisch en intellectueel antwoord
Een praktisch antwoord op het probleem van de grote omvang van het volk is uiteraard vertegenwoordiging. Als sommigen van ons namens allen spreken, kunnen enerzijds de verschillende standpunten aan bod komen en kan er anderzijds ook echt van een debat sprake zijn. Het parlement wordt in een dergelijke benadering gezien als ’s lands vergaderzaal. Veel denkers over democratie zien vertegenwoordiging dan ook als zonder meer praktisch noodzakelijk instituut.
Velen van hen gaan echter een stap verder en zien het niet alleen als praktische, maar vooral ook als intellectuele oplossing. Tijdens het congres was goed zichtbaar dat sommigen er zeer goed in slaagden hun standpunt kort maar krachtig te verwoorden. Zichtbaar was echter vooral ook hoe moeilijk dat is en dat de meesten er minder goed in waren. Bovendien viel op dat velen hetzelfde punt maakten, zonder dat er van onderlinge coherentie of afstemming sprake was. Dat laatste valt de leden overigens niet aan te rekenen, aangezien zij op grote informatie-achterstand stonden en het bestuur er juist voor had gezorgd dat er geen tijd was om het verzet te organiseren. Ook los daarvan lopen congressen, waarop ieder lid spreektijd heeft, echter het risico te verzanden in onsamenhangende individuele bijdragen. Juist ook wanneer er principiële en moeilijke besluiten op de agenda staan.
Denkers als Abbé Sieyès en James Madison zijn het principieel met Rousseau eens dat van nature ieder mens gelijk is, maar zij menen desondanks dat mensen vooral niet zelf de regering ter hand moeten nemen. Vertegenwoordiging dient wat hen betreft dan ook niet alleen een praktisch doel, maar vooral ook een bestuurlijk of intellectueel doel: De belangen van allen en van de natie worden het beste gediend als alle stemgerechtigden de beste staatslieden van de natie aanwijzen, die in naam van het volk besluiten wat goed is. Om tumultueuze toestanden te voorkomen moet er vooral geen sprake zijn van mob rule (volgens Madison zo’n beetje de ergste aller kwaden), maar moeten verlichte staatslieden verstandige besluiten nemen.
Democratie en het probleem van het ‘namens’
Aan het begin van dit stuk werd er al aan herinnerd dat democratie het recht poogt te legitimeren door de belofte van zelfregering door het volk te doen. Rousseau gaat daarbij zelfs zover als te stellen dat eenieder slechts gebonden is aan het recht dat hij het zelf (indirect) heeft vastgesteld. De vraag is daarmee dus waarom wetten die door enkelen in Den Haag worden vastgesteld voor iedereen in Nederland verbindend zijn. Wanneer die vraag wordt toegepast op de Nederlandse actualiteit, luidt de vraag waarom drie heren, tezamen met hun secondanten, mogen beslissen over het toekomstige regeringsbeleid en niemand zich daartegen in rechte succesvol kan verzetten. Of waarom de meerderheid van het CDA-congres namens alle aanwezigen mocht besluiten.
Hierbij springt uitaard de moeizaam behaalde Tweede Kamermeerderheid in het oog. CDA-dissidenten Ad Koppejan en Kethleen Ferrier zijn met veel pijn en moeite overgehaald om voor het regeer- en gedoogakkoord te stemmen, zodat 76 van de 150 Tweede Kamerleden daar uiteindelijk voor zijn. Aangezien volksvertegenwoordiging inhoudt dat de door het parlement vastgestelde wil juridisch wordt vereenzelvigd met de wil van het volk, moet juridisch worden aangenomen dat het volk zichzelf door middel van een coalitie van CDA, VVD en (in mindere mate) PVV wenst te regeren. Anders gezegd heeft de Tweede Kamer in naam van het volk besloten welke kant het de komende tijd op moet.
Democratie is, naar mijn stellige overtuiging, echter meer dan simpelweg het tellen van uitgebrachte stemmen. Een vraag die nadere beantwoording behoeft is dan ook waarom ook de overstemde minderheid, die in het geval van de kabinetsformatie niet eens heeft mogen meepraten, gebonden is aan het meerderheidsbesluit. Het argument dat de meerderheid nu eenmaal met meer mensen is overtuigt niet, omdat dat een puur machtsargument is. Waarom zou ik in ’s hemelsnaam luisteren naar een club mensen als het enige argument daarvoor is dat ik met minder ben? Maakt dat mijn mening minder waard? En betekent democratie dan de principiële vrijheid van mensen tenzij er anderen in de buurt zijn?
Het antwoord op die vraag schuilt in het ‘namens’. Art. 50 van onze Grondwet stelt dat de Staten-Generaal het gehele Nederlandse volk vertegenwoordigen. Naar algemeen inzicht betekent dat, dat ook al zijn leden dat moeten doen. Ieder lid zit er voor het gehele volk en niet alleen voor zijn achterban. Het vrije mandaat houdt daarmee rechtstreeks verband: Juist omdat alle parlementariërs behoren te doen wat goed voor het gehele volk is, mogen zij niet verplicht worden naar een andere gezagsbron dan hun eigen geweten te luisteren. De tweet van CDA-parlementariër Ine Aasted-Madsen “Ik begrijp de betekenis van ‘zonder last’, maar hoeveel macht geef je aan 2 decidenten met samen nog geen 5000 kiezers achter zich hadden?” is juridisch dan ook onbegrijpelijk: Ofwel ze heeft geen idee heeft wat ‘zonder last’ nu werkelijk betekent, ofwel ze heeft er geen boodschap aan. Beide zijn verontrustend voor iemand reeds acht jaar geleden een eed van trouw op de Grondwet heeft afgelegd.
De verplichting te doen wat goed is voor het gehele volk
Zowel de vraag naar de verbindendheid van door het parlement vastgestelde wetten als de vraag naar de juridische gebondenheid van de overstemde meerderheid kan worden beantwoord aan de had van de notie ‘algemeen belang’. Rousseau theoretiseerde dat mensen zich bij de sluiting van het maatschappelijk verdrag bekeren tot burger en toetreden tot een volksgemeenschap. De significatie van die identiteitswisseling is volgens hem onder meer dat mensen hun eigenbelang nastreven, terwijl burgers slechts dat willen dat goed is voor het volk als geheel. De algemene wil, die iedere burger nastreeft is, met andere woorden, axiomatisch gericht op het algemeen belang van het volk en leeft in ieder van zijn leden. Rousseau’s antwoord op de vraag waarom de minderheid gebonden is aan een meerderheidsbesluit, terwijl juist hij meende dat eenieder slechts gebonden is aan dat recht dat hij zelf heeft vastgesteld, is dan ook dat de minderheid zich heeft vergist. Had zij werkelijk nagedacht, dan zou zij hebben beseft dat zij het met de meerderheid eens is. Een dergelijke minderheid moet volgens hem dan ook ‘worden gedwongen vrij te zijn’.
Dat het zo eenvoudig niet ligt bleek onder meer tijdens het CDA-congres. De overstemde minderheid had zich helemaal niet vergist, maar was weloverwogen principieel tegen. Toch kan men ook bij dat voorbeeld iets aanvangen met de notie van het algemeen belang. Ten eerste kan erop gewezen worden dat de CDA-ers zich niet gebonden voelden aan de sterke tegengeluiden, die vooral uit de hoek van links Nederland te beluisteren waren, of aan de overweldigende meerderheid waarmee de partijraad van de VVD op dezelfde dag voor regeringsdeelname was. En terecht. Juist ook de notie algemeen belang gaat er immers vanuit dat diegenen die gebonden zijn aan genomen besluiten een politieke band met elkaar delen. Ze zijn gebonden aan die besluiten omdat ze allen lid zijn van dezelfde politieke gemeenschap. Precies dit argument wordt ingezet om uit te leggen dat alleen Nederlanders het stemrecht voor de Tweede Kamer hebben.
Ook binnen de partij speelt de notie van het algemeen belang echter een rol. Zeer nadrukkelijk kwam daags na het congres immers de idee naar boven dat men zo’n grote minderheid niet kon negeren. In naam van onder andere de eenheid van de partij werd de gehele Tweede Kamerfractie gevraagd zowel voor het regeer- en gedoogakkoord te stemmen, als de redelijke bezwaren van de minderheid te vertolken. Aan het door het congres genomen besluit werd dan ook geen afbreuk gedaan (hetgeen logisch is omdat dan een tweederde meerderheid genegeerd zou zijn), terwijl toch ook een poging ondernomen wordt te luisteren naar diegenen die daartegen waren. Over en weer worden dus pogingen ondernomen het gesprek gaande te houden, waarbij een genomen besluit tegelijkertijd allen bindt maar niet het einde van de discussie is.
De redelijkheid als het cement voor het democratisch samenleven van burgers
In deze structuur lijkt de kern van het democratische samenleven te schuilen: Dat alle leden van een volk zich verplicht voelen rekening te houden met de redelijke belangen en argumenten met name diegenen die het niet met ze eens zijn, dat zij zich verplicht voelen uit te leggen waarom ze zich achter een bepaald besluit scharen en dat zij, tot slot, door anderen genomen besluiten jegens zich als bindend accepteren wanneer zij niet bij de meerderheid behoren.
Een democratisch genomen besluit kan dus niet worden verdedigd met uitsluitend het meerderheidsargument, maar behoort altijd het algemeen belang van het gehele volk na te streven. Omgekeerd kan een dergelijk besluit echter niet worden bestreden met het argument dat het dat niet daadwerkelijk doet. Iemand moet immers beslissen en de kern van het democratische debat gaat nu juist over de vraag welke politieke koers het algemeen belang in concreto voorschrijft. De bestaansgrond voor politieke partijen is daarbij juist precies het blijvende meningsverschil over het antwoord op die vraag. Dat gezegd hebbend, kan desondanks gewezen worden op een ontwikkeling die zorgwekkend is.
Wilders’ herhaaldelijke stelling dat rekening gehouden moet worden met de anderhalf miljoen kiezers die op hem gestemd hebben is juist, maar egocentrisch en misleidend. Evenzeer moet er rekening gehouden worden met al diegenen die niet PVV stemden en met al diegenen die (nog) niet mogen stemmen. Net zo lijkt Wilders de redelijke bezwaren en argumenten van zo’n beetje alle moslims op voorhand terzijde te schuiven en toont hij zich vaak bijzonder ongevoelig voor kritiek op zijn standpunten. Tijdens de presentatie van het regeer- en gedoogakkoord stelde hij zelfs openlijk dat hij niet zoveel heeft met bruggenbouwen. Hij wilde het wel gedogen, maar eraan meedoen was niks voor hem.
Dit type stellingname is zorgwekkend omdat Wilders zich hiermee openlijk particularistisch opstelt. Hij stelt weliswaar nadrukkelijk het algemeen belang van Nederland na te streven, maar klaarblijkelijk bedoelt hij daarmee niet het belang van alle Nederlanders. Rekening houden met de redelijke argumenten en belangen van moslims doe je immers niet door te ontkennen dat hun argumenten überhaupt redelijk of religieus van aard zijn. Net zo is het zeer bedenkelijk om te dreigen met de denaturalisatie van criminele Nederlanders die al dan niet vrijwillig meer dan één paspoort hebben. Denaturalisatie heeft immers ook het verlies van stemrecht tot gevolg en maakt van de personen in kwestie tweederangs burgers, die onder omstandigheden uit de volksgemeenschap verbannen kunnen worden.
Particularisme is voorts gevaarlijk omdat het de grondslag voor de verbindendheid van meerderheidsbesluitvorming ernstig aantast, hetgeen een self-fulfilling prophecy tot gevolg kan hebben: Als politieke vertegenwoordigers immers geen rekening houden met de redelijke belangen van een (permanente) minderheid, waarom zou die dan nog naar hen luisteren? Voor die minderheid is democratie dan immers geen zelfregering meer, maar slechts nog de dictatuur van het getal, die niet gelegitimeerder is dan welke dictator ook. De minderheid van het CDA-congres lijkt er dus gelijk in te hebben gehad dat het ook voor de eigen geloofwaardigheid problematisch is om samen te werken met een partij die een belangrijk deel van het volk marginaliseert. Een meerderheid die in belangrijke mate berust op samenwerking met een partij, die bijvoorbeeld de vrijheid van religie in het hart treft, moet zich nog eens achter de oren krabben voordat hij de naleving van zijn wetten eist.
Michiel Duchateau

