Een moedermaatschappij mag een liquidatieverlies van een deelneming pas in aanmerking nemen op het moment dat de deelneming formeel is geliquideerd en de vereffening is voltooid. Voor de situatie van een langlopend faillissement of een langlopende liquidatie bestaat goedkeurend ministerieel beleid.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Volgens dat beleid kan een moedermaatschappij de belastingdienst of het ministerie van Financiën verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule om zo toch een liquidatieverlies uit een nog niet voltooide vereffening ten laste van de winst te kunnen brengen. Het beleid maakt daarbij onderscheid tussen de situatie waarin de vereffening buiten de wil van de moedermaatschappij nog niet is voltooid en de situatie waarin de onvoltooide vereffening is te wijten aan de moedermaatschappij of aan andere, bijzondere omstandigheden. Een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule moet wel steunen op goede argumenten, anders wordt het verzoek afgewezen. Illustratief hierbij is een recente uitspraak van Rechtbank Arnhem.
In de vennootschapsbelasting worden voordelen behaald met een deelneming niet in aanmerking genomen op grond van de deelnemingsvrijstelling. Dit betekent dat waardestijgingen en ook waardedalingen van een aandelenpakket dat een deelneming vormt, de winst van de moedermaatschappij in principe niet beïnvloeden. Een uitzondering is gemaakt voor verliezen behaald bij de liquidatie van de dochtermaatschappij (hierna: deelneming). Deze komen wel bij de moedermaatschappij in aftrek. Eén van de voorwaarden is, dat liquidatieverliezen pas in aanmerking mogen worden genomen op het moment dat de deelneming formeel is geliquideerd en de vereffening is voltooid.
Voor de situatie van een langlopend faillissement of een langlopende liquidatie bestaat een ministerieel besluit met daarover goedkeurend beleid. Volgens dat beleid kan een moedermaatschappij de belastingdienst of het ministerie van Financiën verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule om zo toch een liquidatieverlies uit een nog niet voltooide vereffening ten laste van de winst te kunnen brengen. Dat beleid is als volgt.
1. Vereffening buiten eigen wil niet voltooid
Indien in het achtste jaar na het jaar waarin de deelneming in staat van faillissement is verklaard óf het jaar waarin het besluit tot liquidatie van de deelneming is genomen de vereffening buiten de wil van de moedermaatschappij nog niet is voltooid, keurt de staatssecretaris goed dat het liquidatieverlies ten laste van de winst van dat achtste jaar wordt gebracht. Hierbij geldt als voorwaarde dat de moedermaatschappij aan de belastingdienst verklaart dat, indien in enig jaar nog voordelen uit hoofde van de deelneming opkomen, deze voordelen niet onder de deelnemingsvrijstelling vallen.
2. Vereffening door overige oorzaken niet voltooid
Indien het nog niet voltooid zijn van de vereffening is te wijten aan de moedermaatschappij, of indien andere bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet het verzoek worden voorgelegd aan het ministerie van Financiën. Daar zal per geval worden bezien of er aanleiding is tot toepassing van de hardheidsclausule.
Een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule moet wel steunen op goede argumenten, anders wordt het verzoek afgewezen. Illustratief hierbij is een recente uitspraak van Rechtbank Arnhem. De zaak was als volgt.
Een bv had in februari 2006 een 45%-belang verworven in een deelneming voor € 2,5 mln. De deelneming werd in augustus 2006 failliet verklaard. De bv nam in haar aangifte vennootschapsbelasting over 2006 de aankoopprijs van de vennootschap (= opgeofferde bedrag) als liquidatieverlies in aanmerking. Bij de aanslagregeling corrigeerde de inspecteur het in aanmerking genomen liquidatieverlies. Eind 2009 verzocht de bv het ministerie van Financiën om toepassing van de hardheidsclausule. Het ministerie wees het verzoek echter af. De summiere uitspraak van de rechtbank bevat geen informatie over de achtergronden van het verzoek en evenmin de redenen van de afwijzing. De bv ging in beroep bij Rechtbank Arnhem.
De rechtbank wees eerst op de wettelijke bepaling over het in aanmerking mogen nemen van een liquidatieverlies. Vervolgens stelde de rechtbank vast dat in 2006 de vereffening van de deelneming nog niet was voltooid en de bv niet had voldaan aan de voorwaarden in het besluit. De rechtbank was daarom van oordeel dat de bv ten onrechte een liquidatieverlies ten laste van haar resultaat had gebracht. Wat betreft de afwijzende beslissing van het ministerie op het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule merkte de rechtbank op dat daartegen geen beroep openstaat bij de rechtbank. Het betreft namelijk geen voor beroep vatbaar besluit.

