Hof Den Bosch heeft onlangs uitspraak gedaan in een spraakmakende rechtszaak over de effectuering van de teruggaaf van ingehouden dividendbelasting. De procedure betrof een in Spanje gevestigde vennootschap met een 5,48% deelneming in een Nederlandse vennootschap (nv). De nv keerde in de jaren 2003 tot en met 2005 ruim € 10 mln aan dividend uit waarop de nv conform het belastingverdrag met Spanje 15% dividendbelasting had ingehouden.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Naar aanleiding van het Denkavit-arrest van het Hof van Justitie EU van 14 december 2006 verzocht de Spaanse vennootschap op 21 december 2006 om teruggaaf van de dividendbelasting over de jaren 2003, 2004 en 2005. Het hof overwoog dat de inspecteur de brief van 21 december 2006 had moeten aanmerken als een verzoek om uitreiking van aangiftebiljetten vennootschapsbelasting. Dat verzoek viel over alle jaren nog binnen de aangiftetermijn van drie jaar na einde van het betreffende belastingjaar. De inspecteur had naar het oordeel van het hof dan over die jaren nihilaanslagen moeten opleggen met verrekening van ingehouden dividendbelasting. Het hof verleende daarop de verzochte teruggaaf over de jaren 2003, 2004 en 2005 en gelastte de inspecteur ook om heffingsrente te vergoeden. De griffie van de Hoge Raad berichtte ons dat beide partijen in cassatie zijn gegaan.
Hof Den Bosch heeft onlangs uitspraak gedaan in een spraakmakende rechtszaak over de effectuering van de teruggaaf van ingehouden dividendbelasting.
De procedure betrof een in Spanje gevestigde vennootschap met een 5,48% deelneming in een Nederlandse vennootschap (nv). De nv keerde in de jaren 2003 tot en met 2005 ruim € 10 mln aan dividend uit waarop de nv conform het belastingverdrag met Spanje 15% dividendbelasting had ingehouden.
Naar aanleiding van het Denkavit-arrest van het Hof van Justitie EU van 14 december 2006 verzocht de Spaanse vennootschap op 21 december 2006 om teruggaaf van de dividendbelasting over de jaren 2003 – 2005. De inspecteur wees het verzoek af en verklaarde het verzoek wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk. Rechtbank Breda verklaarde vervolgens het beroep van de Spaanse vennootschap ongegrond. De Spaanse vennootschap ging in daarop in hoger beroep bij Hof Den Bosch.
De inspecteur verklaarde voor het hof dat de Spaanse vennootschap inderdaad materieel recht had op de teruggaaf maar gaf aan dat de vennootschap naast een bezwaarschrift tegen de inhouding van dividendbelasting de mogelijkheid had om een aangifte vennootschapsbelasting in te dienen. De inspecteur was daarbij van mening dat het niet benutten van deze mogelijkheid hem niet kon worden aangerekend.
Het hof was het met dat laatste niet eens en wees daarbij op een aantal formeelrechtelijke wetsbepalingen. De inspecteur bestreed niet dat de Spaanse vennootschap als buitenlands belastingplichtige gerechtigd was om uitreiking van aangiftebiljetten vennootschapsbelasting over de jaren 2003 – 2005 te verzoeken. De inspecteur had volgens het hof de brief van 21 december 2006 te beperkt opgevat, namelijk ten onrechte uitsluitend als een verzoek om teruggaaf van ingehouden dividendbelasting. Het verzoek was breed geformuleerd en daarbij was ook een beroep gedaan op gelijke behandeling van de Spaanse vennootschap met binnenlandse belastingplichtigen op grond van het gemeenschapsrecht. Het hof gaf aan dat (ook) de inspecteur had moeten nagaan, welke procedurele weg naar die gelijke behandeling moest leiden. Het materieel recht op teruggaaf van de dividendbelasting kon naar het oordeel van het hof de Spaanse vennootschap niet worden ontzegd door deze vennootschap aan te rekenen, dat haar tijdig gedaan verzoek door de inspecteur niet juist is opgevat. Het hof gaf aan dat de inspecteur de brief van 21 december 2006 had moeten aanmerken als een verzoek om uitreiking van aangiftebiljetten vennootschapsbelasting. Dat verzoek viel over alle jaren nog binnen de aangiftetermijn van drie jaar na einde van het betreffende belastingjaar. De inspecteur had daarbij vervolgens drie nihilaanslagen moeten opleggen met verrekening van ingehouden dividendbelasting.
Het hof verklaarde het hoger beroep van de Spaanse vennootschap gegrond en verleende de verzochte teruggaaf over de jaren 2003 – 2005 en gelastte de inspecteur ook om heffingsrente te vergoeden.
Opmerkingen
De griffie van de Hoge Raad berichtte ons dat beide partijen in cassatie zijn gegaan.
De Spaanse vennootschap had in deze procedure onder meer ook een beroep gedaan op het arrest Amurta van het Hof van Justitie EU (HvJ EU) naar aanleiding van prejudiciële vragen van Hof Amsterdam. Het HvJ EU kwam tot het oordeel dat Nederland de toenmalige inhoudingsvrijstelling van de dividendbelasting voor deelnemingen tussen 5% en 20% ten onrechte had beperkt tot Nederlandse aandeelhouders-vennootschappen. Hof Amsterdam heeft daarop op 2 maart 2009 uitspraak gedaan met inachtneming van de uitspraak van het HvJ EU.
Inmiddels is de onevenwichtigheid in de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting gerepareerd. Nederland heeft de inhoudingsvrijstelling per 1 januari 2007 aangepast waardoor deze ook voor in andere EU -lidstaten gevestigde aandeelhouders/vennootschappen met een belang van 5% of meer onder voorwaarden van toepassing is.

