De Hoge Raad heeft onlangs [urlhttps://rechtennieuws.nl/ljn/BN3537]arrest gewezen[/url] in een procedure waarin een bv -een zuivere houdster- en financieringsmaatschappij- tegen een beperking in de mogelijkheden van verliesverrekening aanliep. De bv voerde diverse bezwaren aan tegen de beperking. Zo zou de beperking in strijd zijn met de vrijheid van vestiging in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De Hoge Raad wees dit echter af. De regeling betreffende de beperkte verliesverrekening maakt direct noch indirect onderscheid tussen houdstervennootschappen met alleen buitenlandse deelnemingen zonder vaste inrichting in Nederland en houdstervennootschappen met binnenlandse deelnemingen. Volgens de Hoge Raad hield de door de bv gesignaleerde verschil in behandeling in dat houdstervennootschappen met binnenlandse deelnemingen de mogelijkheid hebben om een fiscale eenheid aan te gaan, terwijl houdstervennootschappen met buitenlandse deelnemingen zonder vaste inrichting in Nederland die mogelijkheid niet hebben. De Hoge Raad merkte hierover op dat een zodanige afbakening van het regime van de fiscale eenheid niet in strijd is met het EU-recht. De Hoge Raad merkte ten slotte nog op dat de gevolgen van het aangaan van een fiscale eenheid meeromvattend zijn en ook doorwerken naar de regeling van de verliescompensatie.
Voor het verrekenen van een verlies van een vrijwel zuivere houdster- en financieringsmaatschappij gelden enige aanvullende voorwaarden bovenop de gangbare voorwaarden zoals verrekening binnen de verliesverrekeningsperiode (een jaar terug en negen jaar vooruit, jaar 2011) en nadat het verlies door de inspecteur bij beschikking is vastgesteld. De aanvullende voorwaarden houden -kort gezegd- in dat:
een verlies verrekenbaar is met het jaar / de jaren waarin de betreffende vennootschap als (vrijwel) zuivere houdster- en financieringsmaatschappij actief was, en
in het jaar / de jaren met een winstsaldo, de boekwaarde van het saldo van vorderingen op en schulden aan verbonden lichamen gedurende (nagenoeg) het hele jaar niet hoger is dan de boekwaarde van dit saldo aan het einde van het verliesjaar.
De Hoge Raad heeft onlangs arrest gewezen in een procedure waarin een bv -een zuivere houdster- en financieringsmaatschappij- tegen een beperking in de mogelijkheden van verliesverrekening aanliep. De zaak was als volgt.
Een bv fungeerde in 2005 als een houdster- en financieringsmaatschappij en bezat deelnemingen in Frankrijk, Zwitserland, Italië en Spanje waarvan zij (nagenoeg) alle aandelen hield. De bv bezat ze een belang van 95 procent of meer in twee van de deelnemingen. De feitelijke activiteiten van de bv werden grotendeels door derden verricht. De inspecteur had bij de vaststelling van het verlies over 2005 aangegeven dat de beperking van de verliesverrekening voor houdster- en financieringsmaatschappijen van toepassing was. De bv bestreed deze beschikking vergeefs in bezwaar en (hoger) beroep. De zaak kwam uiteindelijk voor de Hoge Raad.
De bv nam in cassatie het standpunt in dat bij de toepassing van de wettelijke regeling van verliesverrekening van houdster- en financieringsmaatschappijen geen rekening mag worden gehouden met feitelijk door derden verrichte werkzaamheden. De Hoge Raad verwierp dat standpunt echter.
De bv nam daarop de stelling in dat de beperkte verliesverrekening in strijd zou zijn met de vrijheid van vestiging in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Hoge Raad merkte hierover op dat de regeling betreffende de beperkte verliesverrekening direct noch indirect onderscheid maakt tussen houdstervennootschappen met alleen buitenlandse deelnemingen zonder vaste inrichting in Nederland en houdstervennootschappen met binnenlandse deelnemingen. Volgens de Hoge Raad hield het door de bv gesignaleerde verschil in behandeling in dat houdstervennootschappen met binnenlandse deelnemingen de mogelijkheid hebben om een fiscale eenheid aan te gaan, terwijl houdstervennootschappen met buitenlandse deelnemingen zonder vaste inrichting in Nederland die mogelijkheid niet hebben. Deze afbakening in de werkingssfeer van de ficale eenheid geldt namelijk sinds de inwerkingtreding van het huidige regime van de fiscale eenheid per 1 januari 2003.
De Hoge Raad merkte hierover op dat een zodanige afbakening van het regime van de fiscale eenheid niet in strijd is met het EU-recht. Als een lidstaat een niet-ingezeten dochtervennootschap uitsluit van het regime van de fiscale eenheid, dan is dat gerechtvaardigd vanwege de omstandigheid dat een zodanige vennootschap niet is onderworpen aan de belastingwet van de betreffende lidstaat. De Hoge Raad wees daarbij op een arrest van het Europese Hof van Justitie van de Europee Unie van 25 februari 2010. Het verschil in fiscale behandeling op het punt van het kunnen aangaan van een fiscale eenheid is gerechtvaardigd uit oogpunt van de noodzaak tot handhaving van de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten. Deze afbakening is daarbij evenredig met de daarmee nagestreefde doelstellingen.
De Hoge Raad merkte ten slotte nog op dat het regime van een fiscale eenheid ertoe kan leiden dat de beperking van de verliesverrekening voor houdster- en financieringsmaatschappijen niet aan de orde komt. Dat geldt zelfs als de doorslaggevende reden voor het aangaan van de fiscale eenheid erin is gelegen dat de beperking van de verliesverrekening niet van toepassing is. De gevolgen van het aangaan van een fiscale eenheid zijn meeromvattend en werken ook door naar de regeling van de verliescompensatie.
De Hoge Raad verklaarde daarop het cassatieberoep niet gegrond.

