Op 29 september 2011 hebben de PvdA en de VVD een nota tot vereenvoudiging (van de berekening van) kinderalimentatie bij staatssecretaris Teeven ingediend.1 Het doel van dit wetsvoorstel is om de problemen rondom de betaling van kinderalimentatie (betalingsonwil) te verhelpen door de berekening eenvoudiger te maken.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Alimentatieplichtigen zouden hierdoor beter inzicht krijgen in de wijze waarop het door hen te betalen alimentatiebedrag is vastgesteld. Tot 30 oktober 2011 stond de nota open voor informele consultatie. Betrokken instellingen en organisaties waren uitgenodigd om de nota van commentaar te voorzien. Een aantal familierechtadvocaten verwacht dat deze nota niet het achterliggende doel zal bereiken. Zij zien meer heil in een goede uitleg aan alimentatieplichtigen over de huidige rekenmethode die maatwerk levert, dan in de voorgestelde wijze van berekening met forfaitaire bedragen.
Nieuwe methode
De PvdA en de VVD wensen door middel van een berekening met forfaitaire bedragen de ingewikkeldheid van de huidige berekening met zijn vele variabelen te vereenvoudigen. Hierdoor zou 80% van de gebruikers zelf in staat moeten zijn om een dergelijke berekening uit te voeren. De stap naar de rechter zou zodoende minder snel gezet worden. Wijziging van de hoogte van de kinderalimentatie kan in eerste instantie aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) worden voorgelegd alvorens een procedure bij de rechtbank aanhangig te maken. Daarnaast dienen ouders, ongeacht hun inkomen en draagkracht altijd een minimumbijdrage te leveren van € 50,– per maand.
Hoe werkt deze nieuwe methode nu exact?
In de nota is een 5-stappenplan ontwikkeld waarmee de te betalen bijdrage berekend kan worden. Bij stap 1 wordt – net als bij de huidige methode – eerst de behoefte van het kind aan de hand van het netto gezinsinkomen voor scheiding vastgesteld. Vervolgens wordt bij stap 2 de draagkracht van de ouders vastgesteld op basis van het netto inkomen na scheiding, waarbij rekening wordt gehouden met standaardbedragen voor vaste lasten (en dus niet de werkelijke lasten). Bij stap 3 wordt gekeken of de ouders de draagkracht hebben om in de behoefte van het kind te kunnen voorzien, met inachtneming van de wettelijke minimumbijdrage van € 50,– per maand. Daarna wordt in stap 4 bepaald welke ouder welke lasten (forfaitair vastgesteld) voor het kind betaalt (de zogenaamde ‘kindgebonden kosten’). Dit wordt afgeleid uit het aantal nachten dat het kind verhoudingsgewijs per jaar bij elke ouder verblijft (verblijfspercentage). Tot slot wordt in stap 5 de te betalen alimentatie vastgesteld.
Kritische kanttekeningen
Geluiden uit de (familierecht)advocatuur wijzen erop dat men in de praktijk niet positief tegenover de nota staat. Hoewel het doel is om de berekening van kinderalimentatie te vereenvoudigen en daardoor de rechterlijke macht te ontlasten, wordt het tegendeel verwacht. Ervaring uit de praktijk leert dat niet zozeer onduidelijkheid over de berekening leidt tot betalingsproblemen, maar dat de oorzaak van de betalingsproblemen vooral gelegen is in de onwil dan wel onmacht van de alimentatieplichtigen en het feit dat alimentatieplichtigen het over het algemeen moeilijk vinden te accepteren dat zij niet weten hoe de alimentatie wordt besteed. De vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS) heeft in haar reactie op de nota genuanceerd gereageerd. Zij is van mening dat de nota een aantal goede aanknopingspunten biedt, waaronder de methode voor de toerekening van kosten van de kinderen aan ouders en het invoeren van een minimumbijdrage. De vFAS vermeldt in haar reactie wel dat de onderzoeken van TNO (slechts gebaseerd op 15 ondervraagden) en het LBIO, welke ten grondslag liggen aan de nota niet als representatief voor de mening van de burger over kinderalimentatie gepresenteerd kunnen worden. Uit onderzoek van NIPO (in opdracht van de vFAS) blijkt namelijk dat slechts 14 % van de Nederlanders het moeilijk vindt om afspraken over kinderalimentatie te maken en 82% van de gescheiden Nederlanders het zelfs noodzakelijk vindt dat er bij een scheiding een specialist wordt betrokken.2 Ook stelt de vFASvast dat het nieuwe rekenmodel niet veel eenvoudiger is en dat niet mag worden verwacht dat 80% van de ouders zelf de berekening kunnen maken.
Nog meer dan onder het huidige systeem, zal er discussie ontstaan over het begrip ‘netto inkomen’. Met name bij ondernemers (DGA’s) en zelfstandig ondernemers is het de vraag welk inkomen gebruikt dient te worden, het feitelijk fiscale inkomen (salaris op loonstrook) of het inkomen dat zij redelijkerwijs kunnen uitkeren (onder welke noemer dan ook)? De nota lijkt er vanuit te gaan dat ouders na echtscheiding gezamenlijk (in onderling overleg) in staat zijn om dit inkomen vast te stellen en een alimentatieberekening te maken. De werkelijkheid is anders. Verwacht wordt dan ook dat er een groot beroep op het LBIO zal worden gedaan. Het LBIO heeft op dit moment niet de benodigde kennis in huis om dergelijke berekeningen te maken. De medewerkers van het LBIO zullen zich aldus eerst moeten gaan specialiseren, hetgeen de kwaliteit in eerste instantie niet ten goede zal komen.
Daarnaast vermeldt de nota niet hoe er omgegaan dient te worden met gevallen waarin sprake is van kinderen uit meerdere relaties.
De nota creëert daarenboven nog andere problemen, waarvan ik er een aantal zal aanstippen. Ten eerste lijkt de behoefte van het kind niet mee te groeien (zoals nu wel het geval is) in het geval één van de alimentatieplichtigen meer inkomen genereert dan het voormalige netto gezinsinkomen. Ten tweede zal er door dit wetsvoorstel een groot verschil ontstaan in de wijze van berekening van kinder- en partneralimentatie. Bij kinderalimentatie wordt gerekend met forfaitaire lasten, terwijl bij partneralimentatie rekening wordt gehouden met de werkelijke lasten. Dit kan leiden tot het onwenselijke resultaat dat er bij de berekening van kinderalimentatie wordt geoordeeld dat er wel sprake is van draagkracht terwijl dat bij de berekening van partneralimentatie – waarbij met de werkelijke lasten van iemand rekening wordt gehouden – er geen sprake is van draagkracht of andersom. Ten derde zal er doordat er met forfaitaire bedragen wordt gerekend geen ‘maatwerk’ meer geleverd worden, wat kan leiden tot onrechtvaardige uitkomsten. Voorts is nog onduidelijk wat er onder ‘kindgebonden kosten’ wordt verstaan. Vallen bijvoorbeeld de kosten voor topsport, reiskosten en bijzonder onderwijs etc. hier ook onder? Tot slot, de nota wil de alimentatieverplichting verlengen tot de leeftijd van maximaal 23 jaar indien het kind studiefinanciering ontvangt. Hoe zit dat als een kind wel studeert, maar geen studiefinanciering ontvangt? Deze kinderen zouden volgens de nota dan geen studiefinanciering en geen kinderalimentatie ontvangen. Is het reëel om van ouders te verwachten dat zij voor een meerderjarig kind nog 5 jaar een betalingsverplichting hebben?
Casus
Het netto gezinsinkomen van partijen bedroeg voor de scheiding € 3.500,- (man € 3.000, vrouw € 500,-). Partijen hebben 2 kinderen (5 en 10 jaar). De kinderbijslag bedraagt: € 65 per maand (5 jaar) en € 79 per maand (10 jaar). Na de scheiding verhuizen de kinderen met de vrouw naar een andere woning. De man blijft in de voormalige woning. De huur van de voormalige gezamenlijk bewoonde woning is voor de vrouw te hoog. Er is sprake van een zorgregeling, waarbij de kinderen 3 nachten per 2 weken bij de man slapen, alsmede de helft van de schoolvakanties. De vrouw betaalt de kindgebonden kosten. Na de scheiding verdienen beide ouders hetzelfde inkomen als voorheen.
Huidige systeem
In het huidige systeem wordt aan de hand van de Tabel kosten kinderen van het Nibud (Trema) de behoefte van de kinderen vastgesteld. In bovenstaand geval resulteert dit in een behoefte van € 805,– per maand voor beide kinderen. Vervolgens wordt gekeken naar de draagkracht van beide ouders, waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met de bijstandsnorm voor alleenstaanden (dit zijn de kosten die iemand geacht wordt minimaal te maken om in het eigen levensonderhoud te voorzien). De man heeft daarnaast nog de volgende vaste lasten: huur, premie ziektekostenverzekering en de kosten voor de zorgregeling. Zodoende resteert een bepaalde draagkrachtruimte (verschil tussen netto inkomen en vaste lasten), waarvan 70% beschikbaar wordt geacht voor kinderalimentatie. In bovenstaand voorbeeld heeft de man € 809,- per maand beschikbaar. Bij de vrouw wordt rekening gehouden met dezelfde bijstandsnorm voor alleenstaanden en ook zij betaalt huur en premie ziektekostenverzekering. Haar draagkrachtruimte is nihil. De ouders dragen pro rato hun draagkracht bij in de kosten van de kinderen. Nu de vrouw in dit voorbeeld geen draagkracht heeft en de man de behoefte van de kinderen volledig kan dragen, zal de bijdrage van de man € 402,50 per kind per maand bedragen (€ 805,- in totaal).
Nieuw systeem
Wordt de alimentatie voor bovenstaand voorbeeld overeenkomstig de nota berekend, dan komt daar een andere uitkomst uit. Volgens de nota wordt onder netto gezinsinkomen ook de kinderbijslag en het kindgebondenbudget (dit is iets anders dan de kindgebonden kosten) gerekend. Uit Tabel 1 bij de nota volgt dat de behoefte van de kinderen in dit geval € 750,– per maand voor beide kinderen bedraagt (minder dus dan volgens het huidige systeem). De draagkracht van beide ouders wordt berekend op basis van forfaitaire bedragen en volgt uit Tabel 2 van de nota. In bovenstaand voorbeeld zou de man een draagkracht hebben van
€ 1.240,- per maand (96%) en de vrouw € 50,- per maand (4%), dit terwijl zij aan de andere kant aan inkomsten van kinderbijslag en kindgebondenbudget al meer ontvangt. De draagkracht van de man volgens de nota is in dit geval groter dan de werkelijke draagkrachtruimte zoals die volgens de huidige methode is berekend. Hij zou eventueel meer dan 100% van zijn draagkrachtruimte (het verschil tussen netto inkomen en zijn werkelijke minimale vaste lasten) voor kinderalimentatie moeten aanwenden!
De kinderen verblijven gemiddeld 102 nachten per jaar bij de man. Uit Tabel 3 volgt dan het verblijfspercentage, in dit geval 21%. Dit is van belang voor de verdeling van de kosten van de kinderen. Uit tabel 4 kunnen de kindgebonden kosten worden afgeleid, in dit geval € 75,- voor het jongste kind en € 108,75 voor het oudste kind. Gelet op de draagkracht van de man, het verblijfspercentage en de kindgebonden kosten, zal de man voor het jongste kind een bedrag van € 297,- per maand aan alimentatie betalen. Voor het oudste kind bedraagt dit € 304,- per maand. Er zijn dus differenties per kind mogelijk afhankelijk van de leeftijd van het kind. In totaal betaalt de man € 601,- kinderalimentatie per maand aan de vrouw, ten opzichte van € 805,- volgens het huidige systeem. Waar de vrouw in het huidige systeem, gelet op haar werkelijke lasten, niet in staat is om een bijdrage te leveren, dient zij volgens de nota minimaal € 50,- per maand bij te dragen in de kosten van de kinderen. Indien echter de rekenmethode van de nota wordt gevolgd, zou de vrouw in dit geval € 30,- per maand bij moeten dragen. Hoewel de vrouw in de berekening volgens het huidige systeem geen draagkracht heeft, draagt zij door middel van de ontvangen kinderbijslag en het kindgebondenbudget per saldo meer bij aan de kosten van de kinderen dan de minimale bijdrage van € 50,- volgens de nota.
Discrepanties
Uit dit simpele voorbeeld volgt reeds dat de berekening volgens de nota niet eenvoudig te maken valt, ook niet voor professionals. Daarbij wordt de behoefte van de kinderen volgens het nieuwe systeem lager vastgesteld. De kinderen gaan er in welstand op achteruit ten opzichte van het huidige systeem, terwijl in dit geval de man wel in staat is om meer te betalen. Dat kan nooit de bedoeling zijn. Een minimale bijdrage van de vrouw lijkt niet onredelijk, maar zal feitelijk niet bijdragen ter bestrijding van de kosten van de kinderen, omdat de vrouw in dit geval zelfs onvoldoende inkomsten heeft om zichzelf te onderhouden, laat staan haar kinderen. Een differentiatie tussen de te betalen kinderalimentatie per kind (binnen hetzelfde gezin) is voorts niet wenselijk.
Conclusie
Hoewel het initiatief van de PvdA en de VVD op zichzelf bewonderenswaardig is, bevat het huidige voorstel te veel ongewilde consequenties voor de praktijk waardoor het naar verwachting een averechts effect zal hebben. Vanzelfsprekend heeft ook het huidige systeem zijn onvolkomenheden, maar de nota lost deze niet op. Het creëert zelfs nog een aantal additionele problemen, waarvan ik er een aantal hierboven heb beschreven. Ik ben van mening dat de alimentatieplichtigen zich gerechtvaardigder behandeld zullen voelen wanneer op van basis van maatwerk (werkelijke cijfers) de kinderalimentatie is berekend en uitgelegd door deskundigen, dan bij een systeem dat berust op forfaitaire bedragen dat wellicht eenvoudig lijkt maar dat geenszins is.
mr. Tim Backx, BANNING Advocaten[/b]

