Afval en Recycling Amsterdam B.V. (hierna: ARA) heeft een bouwvergunning ontvangen voor de bouw van een sorteergebouw. Binnen dit pand bouwt ARA tevens een afvalsorteerinstallatie. Hiervoor had ARA kennelijk nog een bouwvergunning nodig waarover zij niet beschikte. Hierdoor is aan ARA een dwangsom van € 50.000,- opgelegd en heeft ARA het maximum bedrag aan dwangsommen verbeurd. De Rechtbank Amsterdam moest beslissen over de vraag of het redelijk was deze dwangsommen in te vorderen.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Allereerst was het onduidelijk of voor het bouwen van de sorteermachine überhaupt een bouwvergunning was vereist. Ook de rechtbank twijfelde hieraan. Toch stelt de rechtbank vast dat de machine een los bouwwerk betreft en niet bij de vergunning van de sorteerhal was betrokken. Voor de bouw van de machine moest dus een zelfstandige bouwvergunning worden aangevraagd. ARA was (nog) niet in het bezit van deze vergunning. Het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam treedt daarom handhavend op en legt aan ARA een last onder dwangsom op. Omdat ARA toch verder gaat met de bouw verbeurt zij de dwangsom van maar liefst € 50.000,-.
De rechtbank oordeelt dat bij de invordering van de dwangsom het College moest onderzoeken of de dwangsom – gelet op de omstandigheden van het geval – in redelijkheid kan worden ingevorderd. ARA stelde onder meer dat de invorderingsbeschikking in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. Bij een concurrent van de ARA deed zich namelijk exact dezelfde situatie voor waartegen niet handhavend werd opgetreden. Verder had het College kenbaar gemaakt dat de afvalsorteerinstallatie van ARA in overeenstemming was met het bestemmingsplan en dat in het kader van de bouwvergunning voor de sorteerloods al een Bibob-toets had plaatsgevonden. Ook in een brandbeveiligingsrapport was al rekening gehouden met deze machine. Naar het oordeel van de rechtbank was het daarom aannemelijk dat de bouwvergunning voor de afvalsorteerinstallatie zou worden vergund, indien hiervoor een aanvraag zou binnenkomen.
Onder de genoemde omstandigheden – in het bijzonder het feit dat onduidelijkheid bestond over de vraag of de installatie op zichzelf bouwvergunningplichtig was en het feit dat bij een concurrent niet handhavend werd opgetreden – had het College naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid moeten afzien van het invorderen van de opgelegde en verbeurde dwangsom.
Ook indien een dwangsombesluit onherroepelijk is en vaststaat dat de last is overtreden, hoeft dat niet einde verhaal te zijn. Uit deze uitspraak kan namelijk worden opgemaakt dat het zeer nuttig kan zijn om tegen de invordering van een reeds verbeurde (en vaak hoge) dwangsom op te komen indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die invordering van deze dwangsommen onredelijk maken.

