Uitkeringen van een zogeheten fondswervende instelling (FI) aan een algemeen nut beogende instelling (ANBI of goeddoelinstelling) zijn onder voorwaarden aftrekbaar van de winst. De voorwaarden hebben onder meer betrekking op: de doelstelling en feitelijke werkzaamheden van de FI en de ontvangende instelling (die dus een ANBI moet zijn), de schriftelijke basis van de uitkeringen (de statuten van de FI of een schriftelijke overeenkomst tussen de FI en de ANBI) en de termijn waarbinnen de FI een aftrekbare uitkering moet doen (uiterlijk binnen zes maanden na afloop boekjaar).
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De Hoge Raad heeft onlangs beslist dat een sociale-woningstichting kwalificeerde als een ANBI waardoor in beginsel de winstuitkeringen van zo’n fondswervende instelling aan een sociale-woningstichting aftrekbaar zijn. De effectieve aftrek voor het jaar 2004 werd echter aanzienlijk beperkt door het feit dat de FI en de sociale-woningstichting pas op 29 december 2004 de vereiste schriftelijke overeenkomst tot uitkering van gelden hadden gesloten.
Uitkeringen van een zogeheten fondswervende instelling (FI) aan een algemeen nut beogende instelling (ANBI of goeddoelinstelling), zijn onder voorwaarden aftrekbaar van de winst. De voorwaarden hebben onder meer betrekking op de doelstelling en feitelijke werkzaamheden van de FI en de ontvangende instelling (die dus een ANBI moet zijn), de schriftelijke basis van de uitkeringen (de statuten van de FI of een schriftelijke overeenkomst tussen de FI en de ANBI) en de termijn waarbinnen de FI een aftrekbare uitkering moet doen (uiterlijk binnen zes maanden na afloop boekjaar).
De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een sociale-woningstichting kwalificeerde als een ANBI waardoor een winstuitkering van zo’n fondswervende instelling aan deze stichting aftrekbaar was. De zaak was vereenvoudigd weergegeven als volgt.
Een stichting was conform de statuten uitsluitend werkzaam op het gebied van de volkshuisvesting. De stichting was een ‘toegelaten instelling in de zin van de Woningwet’. De stichting was middellijk enig aandeelhoudster van een bv waarin zij haar toenmalige commerciële activiteiten had ingebracht. Tot deze activiteiten behoorden onder meer de ontwikkeling en realisatie van woningbouwprojecten al of niet in combinatie met bedrijfs- en winkelruimtes. De woningbouwprojecten van de bv betroffen zowel de sociale als de commerciële woningbouw. In 2004 behaalde de stichting een omzet van ongeveer € 47 mln en een winst van € 1,2 mln (€ 8,3 mln in 2003). De algemene reserve van de stichting bedroeg eind 2004 € 68 mln.
Op 29 december 2004 hadden de stichting en de bv een schriftelijke ‘overeenkomst tot bestemming gelden’ gesloten. De bv keerde op 25 juni 2005 € 1,6 mln winst uit aan de woningstichting en claimde aftrek voor dit bedrag. De inspecteur weigerde echter de aftrek en werd door Rechtbank Leeuwarden en Hof Leeuwarden in het gelijk gesteld. Uiteindelijk kwam de zaak voor de Hoge Raad. Daar was in eerste aanleg in geschil of de stichting kwalificeerde als een ANBI en vervolgens tot welk bedrag de bv de aftrek zou kunnen claimen.
De Hoge Raad heeft stelde voorop dat een fondswervende instelling een aftrek kan claimen als aan twee voorwaarden is voldaan.
1. De gift ontvangende instelling moet het algemeen nut beogen.
Aan dit vereiste is voldaan als de werkzaamheden van de instelling rechtstreeks erop gericht zijn enig algemeen belang te dienen. De Hoge Raad was van oordeel dat van een vereniging of stichting die een toegelaten instelling is in de zin van de Woningwet en uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam is, in het algemeen mag worden aangenomen dat haar werkzaamheden met deze toelating in overeenstemming zijn. Nu de stichting een toegelaten instelling was, was naar het oordeel van de Hoge Raad aan dit eerste vereiste voldaan. De Hoge Raad plaatste hierbij nog wel een kanttekening. De stichting zou het algemene nut niet beogen als de inspecteur feiten stelt en aannemelijk kan maken dat de werkzaamheden van de stichting niet het belang van de sociale huursector dienen. De inspecteur had echter niet meer gedaan dan wijzen op de (jaarlijkse) positieve resultaten van de stichting en de jaarlijks oplopende algemene reserve. Dat was naar het oordeel van de Hoge Raad toch onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Deze resultaten hielden nog niet in dat de werkzaamheden van de stichting primair op iets anders zijn gericht dan het algemeen nuttige doel als bevordering van voldoende woongelegenheid in de sociale huursector.
2. Het algemeen belang wordt door de werkzaamheden van die instelling in minstens gelijke mate gediend als een particulier belang.
De Hoge Raad merkte hierover het volgende op. Omdat de feitelijke werkzaamheden van de Stichting (nagenoeg geheel bestaande in de verhuur van woningen in de sociale-huursector) onlosmakelijk zijn verbonden met haar doelstelling enig algemeen belang te dienen, moet in beginsel ook met betrekking tot die feitelijke werkzaamheden worden aangenomen dat zij het algemeen belang dienen. Dat daardoor ook het particulier belang van de individuele huurders wordt gediend, deed daar naar het oordeel van de Hoge Raad niet aan af. Hetzelfde gold voor de jaarlijkse positieve resultaten en de oplopende algemene reserve van de stichting. De Hoge Raad concludeerde daarop dat de sociale-woningstichting kwalificeerde als een ANBI.
Vervolgens was de vraag aan de orde tot welk bedrag de bv de aftrek kon claimen. De Hoge Raad was van oordeel dat de inspecteur terecht had gesteld dat een schriftelijke overeenkomst moet zijn gesloten voordat de FI tot uitkering overgaat. Alleen in dat geval zijn de werkzaamheden van een FI gericht op het verkrijgen van gelden die op grond van een schriftelijke overeenkomst uitgekeerd moeten worden. Dit hield in dat alleen de gelden die de bv had verkregen met werkzaamheden na 29 december 2004 (de dagtekening van de schriftelijke overeenkomst) in aanmerking kwamen voor de giftenaftrek. De Hoge Raad wees een andere stelling van de inspecteur -dat het fondswervende karakter van de FI voor het publiek kenbaar moet zijn- af.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van Hof Leeuwarden en heeft de procedure naar Hof Amsterdam verwezen voor verdere behandeling.

