Wanneer voorkomt stuiting de verjaring van een vordering en wanneer wordt aansprakelijkheid niet uitgesloten?
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Op 28 november 2011 deed de Hoge Raad een interessante uitspraak [1] voor alle expediteurs (vervoerders). Het gaat in deze zaak om drie rechtsvragen. Ten eerste gaat het om het aanvangsmoment van de verjaring, dan wel het verval van de rechtsvordering tot schadevergoeding als opgenomen in de Fenex-voorwaarden [2] (hierna: ‘Fenex’). Ten tweede komt aan de orde of een schriftelijke mededeling kan worden aangemerkt als stuitingshandeling. Ten derde laat de Hoge Raad zich uit over het buiten toepassing laten van de aansprakelijkheidsclausule (exoneratie-beding) op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Deze drie onderwerpen worden hierna aan de hand van de bijbehorende kwestie kort en bondig toegelicht.
De feiten
X is handelaar in vliegtuigonderdelen. Sinds 1990 slaat Y in zijn entrepot (opslag) regelmatig goederen op van X. Het is 29 maart 2004 wanneer Y telefonisch contact opneemt met X. Y geeft aan dat hij kort daarvoor alle goederen heeft vernietigd, die niet aan een klant konden worden toegeschreven. Het is op dat moment nog niet duidelijk of ook de goederen van X zijn vernietigd. X laat het er niet bij zitten en neemt een advocaat in de arm. De advocaat van X stuurt op 20 april 2004 een aanmaning aan Y. Op 28 april 2004 stuurt Y een reactie aan X, alsmede aan de advocaat van X. In die reactie wordt bevestigd, dat de goederen van X zijn vernietigd. X is eind april 2004 op vakantie en neemt pas op 10 mei 2004 kennis van de inhoud van de brief van Y. Alvorens een gerechtelijke procedure te beginnen, verzoekt X op 5 oktober 2004 om een voorlopig getuigenverhoor. Naar aanleiding van het voorlopig getuigenverhoor, stuurt de advocaat van X op 5 juli 2005 een brief aan Y, om te bezien of er een minnelijke regeling getroffen kan worden. Zo niet, dan zal X in rechte een vordering tot schadevergoeding instellen wegens wanprestatie door Y. Uiteindelijk brengt X op 9 november 2005 de dagvaarding uit aan Y.
1. Het aanvangsmoment voor de verjarings- en vervaltermijn in de Fenex
Allereerst is tussen partijen vast komen te staan dat op de ‘opslag-overeenkomst’ de Fenex van toepassing zijn. Uit artikel 21 lid 2 Fenex volgt:
Elke vordering jegens de expediteur vervalt door het verloop van 18 maanden.
Verder is tussen partijen vast komen te staan dat Y een expediteur is in de zin van artikel 8:60 Burgerlijk Wetboek (BW). Derhalve is artikel 21 lid 2 Fenex van toepassing. De vraag die hier wordt beantwoord is; wanneer vangt de termijn van 18 maanden aan? Uitgangspunt is artikel 3:310 lid 1 BW, waarin is bepaald dat een verjarings- of vervaltermijn aanvangt op het moment dat de benadeelde met de schade bekend is geworden. Om in deze situatie vast te kunnen stellen wanneer de termijn is aangevangen, moet worden bepaald wanneer X met zekerheid van de schade op de hoogte is geraakt. In deze kwestie zijn er drie data mogelijk: 1) 29 maart 2004 (in verband met het telefoongesprek); 2) 29 april 2004 (het moment dat de advocaat van X de brief van Y heeft ontvangen, met daarin opgenomen de bevestiging van de vernietiging van de goederen); 3) 10 mei 2004 (het moment dat X de brief van Y leest). Volgens de Hoge Raad geldt als aanvangsdatum van de verjaring, de datum waarop de ‘bevestigings’-verklaring door de wederpartij is ontvangen. De Hoge Raad overweegt hiertoe dat, op het moment dat Y op 29 maart 2004 belt (om aan X te berichten dat het entrepot is leeg gemaakt en de daarin opgeslagen goederen zijn vernietigd), niet met zekerheid is vast te stellen dat het ook de goederen van X betreft. Immers ten aanzien van de betreffende goederen waren de eigenaren niet bekend. Verder oordeelt de Hoge Raad dat 10 mei 2004 niet als aanvangstermijn kan worden aangemerkt. Op basis van de zogenaamde ‘genuanceerde ontvangstheorie’ (artikel 3:37 lid 3 BW) wordt verondersteld dat de ontvanger kennis neemt van de inhoud van een verklaring na ontvangst. Het blijft voor rekening en risico van de ontvanger, indien het aan hem zelf te wijten is, dat hij geen kennis heeft genomen van de inhoud (in casu: X gaat op vakantie zonder zaakwaarneming (artikel 3:198 BW)). Bovendien oordeelt de Hoge Raad, dat de wetenschap die de advocaat van X heeft verkregen door ontvangst van de ‘bevestigings’-brief aan X als opdrachtgever wordt toegerekend. Derhalve vangt de verjaringstermijn in de zin van artikel 21 lid 2 Fenex aan op 29 april 2004.
2. Stuiting van de vordering door middel van een schriftelijke mededeling
Aansluitend op de vorige vraag stelt Y dat het Gerechtshof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de stuiting van de rechtsvordering door X. Volgens Y kan een enkel verzoek om inlichtingen over de bereidheid van X om een minnelijke regeling te treffen (als opgenomen in de brief van de advocaat van X van 5 juli 2005), redelijkerwijs niet worden aangemerkt als een in artikel 3:317 lid 1 BW bedoelde stuitingshandeling.
Uitgangspunt op grond van artikel 3:317 lid 1 BW is dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ‘ondubbelzinnig’ zijn recht op nakoming voorbehoudt. Terecht merkt Y op dat slechts het voeren van onderhandelingen de verjaring niet stuit. Echter, in de brief van 5 juli 2005 is het volgende opgenomen:
“Nu de voorlopige getuigenverhoren zijn gesloten, verneem ik graag binnen twee weken na heden of uw cliënt genegen is in deze zaak een minnelijke regeling te treffen ten aanzien van de door mijn cliënt geleden schade. Mocht dit niet het geval zijn, dan verneem ik graag het standpunt dat uw cliënt in deze zaak inneemt, meer in het bijzonder de gronden waarop hij meent niet aansprakelijk te zijn voor de schade die mijn cliënt heeft geleden als gevolg van de vernietiging van de opgeslagen goederen.”
Enerzijds volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een mededeling al spoedig voldoende duidelijk is in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW en dat daaraan verder geen strikte (vorm)vereisten worden gesteld. Anderzijds is de Hoge Raad het met Y eens, dat uit de weergegeven passage niet duidelijk blijkt dat X (in het geval een minnelijke regeling zou uitblijven) aanspraak zou maken op schadevergoeding. Toch besluit de Hoge Raad om de onderhavige brief als stuitingshandeling aan te merken. De reden hiervoor is de reactie van de advocaat van Y op de brief van 5 juli 2005. Deze reactie komt er op neer dat de advocaat van Y meldt dat, alvorens inhoudelijk op het verzoek van X te reageren, eerst contact moet worden opgenomen met de schadebehandelaar van de verzekering van Y. Uit deze reactie kan volgens de Hoge Raad worden opgemaakt dat Y zich er van bewust was dat X aanspraak zou maken op een schadevergoeding en daarmee erkenning van het behoudt van rechten door X. Derhalve is de schriftelijke mededeling van 5 juli 2005 als stuitingshandeling aan te merken.
3. Uitsluiting van aansprakelijkheid op grond van de Fenex is in strijd met de redelijkheid en billijkheid
Uitgangspunt is dat partijen op grond van de contractsvrijheid in beginsel vrij zijn om alles met elkaar af te spreken zoals zij dat zelf willen. Echter, deze vrijheid is beperkt door de wet, de redelijkheid en de billijkheid. In dit geval brengt de wet geen beperkingen met zich ten aanzien van de uitsluiting van aansprakelijkheid, aangezien het hier twee professionele partijen betreft. Toch besluit de Hoge Raad om in het onderhavige geval exoneratie-beding, opgenomen in artikel 11 van de Fenex, buiten toepassing te laten. De Hoge Raad overweegt daartoe het volgende (zie de noot bij het arrest onder alinea 2.27):
“Ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad dient een exoneratie-clausule buiten toepassing te blijven voor zover de toepassing ervan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit zal in het algemeen het geval zijn als de schade te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van de schuldenaar of van personen die belast zijn met de leiding van het bedrijf.”
Hoe kan deze overweging van de Hoge Raad nu worden toegepast op de onderhavige kwestie? Daarvoor zijn van belang de omstandigheden van het geval. Uit het voorlopig getuigenverhoor komt het volgende naar voren. Y heeft de goederen in opslag genomen. De adjunct-directeur van Y heeft besloten om de goederen die zich in het entrepot bevonden te vernietigen, zonder te verifiëren van wie de goederen waren. Y heeft geen goede verklaring kunnen geven, waarom Y niet kon verifiëren van wie de opgeslagen goederen waren. Verder valt niet in te zien dat Y de betreffende goederen moest vernietigen en niet ergens anders (tijdelijk) kon opslaan totdat de eigenaren waren opgespoord. Y, hetzij de adjunct-directeur, had behoren te beseffen dat de goederen van derden (konden) zijn en dat die derden door de vernietiging schade zouden lijden. Op basis van hetgeen is vastgesteld tijdens het voorlopig getuigenverhoor beslist de Hoge Raad dat, door het vernietigen van de goederen bewust roekeloos is gehandeld door Y. Die bewuste roekeloosheid brengt met zich mee dat onder de gegeven omstandigheden het beroep op enige uitsluiting van aansprakelijkheid, op grond van artikel 11 Fenex, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Het gevolg hiervan is dat Y geen beroep kan doen op het onderhavige exoneratie-beding en aansprakelijk is voor de door X geleden schade.
mr. Joort Visser, USG Juristen
Bronvermelding:
[1] LJN: BQ7063, Hoge Raad, 09/04423
[2] www.Fenex.nl/Fenex-voorwaarden

