Een personeelsfonds van een werkgever kan onder voorwaarden belastingvrije uitkeringen en verstrekkingen doen aan het personeel. Een van die voorwaarden is dat de werkgever in de vijf kalenderjaren die aan het jaar van de fondsenuitkering(en) zijn voorafgegaan ten hoogste evenveel heeft bijgedragen aan dat fonds als de bij dat fonds betrokken werknemers. Deze voorwaarde houdt echter niet in dat het personeelsfonds ook ten minste vijf jaar moet bestaan. Ook nieuwe personeelsfondsen kunnen belastingvrije uitkeringen en verstrekkingen doen. Rechtbank Arnhem heeft onlangs in deze zin beslist.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Bedrijven met werknemers kunnen onder daarvoor geldende voorwaarden belasting- en premievrij uitkeringen en verstrekkingen doen aan het personeel uit een (personeels)fonds. Zo’n fonds heeft veelal tot doel leuke dingen te doen voor het personeel om zo de onderlinge band tussen collega’s te versterken. Zo leent een personeelsfonds zich prima voor het verstrekken van een aardigheid (kerstpakket) of het verzorgen van amusement, uitstapjes en dergelijke. De werkgever die gebruik wil maken van de faciliteit voor fondsuitkeringen moet zich erop bedacht zijn dat de voorwaarden heel strikt zijn. Zo moet de werkgever in de voorgaande vijf jaren hoogstens evenveel hebben bijgedragen aan het fonds als de werknemers zelf. Deze voorwaarde houdt echter niet in dat het personeelsfonds ook ten minste vijf jaar bestaat. Rechtbank Arnhem heeft onlangs in deze zin beslist. De zaak was verkort weergegeven als volgt:
Een werkgever had in december 2001 een stichting opgericht. De stichting vormde sinds haar oprichting een fonds met het doel daaruit uitkeringen te doen aan het personeel van de werkgever, niet zijnde uitkeringen voor ziekte, invaliditeit etc. Het bestuur van de stichting bestond uit twee (indirect) grootaandeelhouders van de werkgever en de accountant van de werkgever. De werkgever hield op het netto salaris van werknemers bedragen in die aan de stichting werden afgedragen. Daarnaast stortte de werkgever een gelijk bedrag in het fonds. De in het fonds gestorte bedragen werden per persoon geadministreerd. In de jaren 2002 tot en met 2007 had de stichting verschillende uitkeringen gedaan aan het personeel. De uitbetaalde bedragen werden onder meer aangewend voor kosten van een verbouwing, rijlessen van kinderen, aankoop meubilair en vakanties.
De inspecteur was echter van mening dat niet aan alle voorwaarden voor de fondsenvrijstelling was voldaan en legde de werkgever naheffingsaanslagen loonbelasting en premie volksverzekeringen op over de jaren 2002 tot en met 2007. De inspecteur stelde dat het fonds vijf jaren moet hebben bestaan voordat het vrijgestelde uitkeringen kan doen. De werkgever was van mening dat een fonds dergelijke vrijgestelde uitkeringen al kan doen binnen vijf jaar na zijn oprichting. De zaak kwam voor Rechtbank Arnhem.
De rechtbank stelde vast dat partijen alleen van mening verschilden over de uitleg van het vijfjaarcriterium en dat aan alle overige voorwaarden voor de fondsenvrijstelling was voldaan. De rechtbank was van oordeel dat de tekst en de wetsgeschiedenis van fondsenvrijstelling geen aanleiding gaven om de eis te stellen dat het fonds ten minste vijf jaren moet bestaan voordat het vrijgestelde uitkeringen kan doen. Zou deze eis wel gelden, dan zou dit inhouden dat een fonds in een periode van vijf jaar vanaf haar oprichting helemaal geen vrijgestelde uitkeringen zou kunnen doen dus ook geen uitkeringen waarvan het sociale ondersteuningskarakter buiten twijfel is. De rechtbank achtte dit duidelijk in strijd met de bedoeling van de wetgever. De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever daarom gegrond en vernietigde de opgelegde naheffingsaanslagen.

