De Hoge Raad heeft onlangs in een arrest antwoord gegeven op de vraag óf en zo ja wanneer de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling eindigt als een vermogensbestanddeel feitelijk niet langer ter beschikking wordt gesteld aan de eigen bv.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
In de onderhavige procedure werd het betreffende vermogensbestanddeel (aan de bv verpachte landbouwgronden) nog aangehouden in afwachting van een geschikte gelegenheid tot verkoop. De Hoge Raad nam bij zijn oordeel de wetsgeschiedenis van de terbeschikkingstellingsregeling en de wetsystematiek (een fiscaal vergelijkbare behandeling met ondernemers-natuurlijke personen en het voorkomen van belastingarbitrage tussen de verschillende inkomensboxen) in aanmerking. Daarbij kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat een vermogensbestanddeel dat wordt aangehouden in afwachting van een geschikte gelegenheid tot verkoop tot het moment van de verkoop en levering tot het werkzaamheidsvermogen blijft behoren.
Indien u een onroerende zaak verhuurt, verpacht of anderszins aanwendt binnen een bv waarin u of een met u verbonden persoon (echtgenoot, partner e.d.) een aanmerkelijk belang houdt, dan zijn de huuropbrengsten, pacht etc. op grond van de zogeheten terbeschikkingstellingsregeling (tbs-regeling) belast. De huurinkomsten zijn progressief (tot maximaal 52%) belast in box 1 als resultaat uit overige werkzaamheden. Daar staat tegenover dat de kosten van het verhuurde onroerende zaak, zoals afschrijvings- en rentelasten, aftrekbaar zijn. Voor resultaat uit overige werkzaamheden is een deel van de bepalingen die gelden voor winst uit onderneming ook van toepassing. Zo moet u voor de berekening van het resultaat uit overige werkzaamheden jaarlijks een balans en verlies- en winstrekening opstellen. Bij beëindiging van de terbeschikkingstelling moet nog worden afgerekend over het verschil tussen de boekwaarde en de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak.
De Hoge Raad heeft onlangs in een arrest antwoord gegeven op de vraag óf en zo ja wanneer de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling eindigt als een vermogensbestanddeel feitelijk niet langer ter beschikking wordt gesteld aan de eigen bv. De procedure was vereenvoudigd weergegeven als volgt.
Een man was tezamen met zijn broer gezamenlijk en voor een onverdeeld deel eigenaar van 20 ha landbouwgrond en een boerderij. De grond en een deel van de boerderij verpachtten zij aan een bv waarin zij beiden een aanmerkelijk belang hadden. Door een verschil van inzicht over de bedrijfsvoering besloten zij begin 2001 de gezamenlijke onderneming te beëindigen. Daartoe werd in april 2001 de pachtovereenkomst met de bv ontbonden. Het feitelijke gebruik van de landerijen door de bv werd op dat moment nog niet beëindigd. Begin januari 2002 kwamen zij schriftelijk overeen dat een aantal activiteiten van de bv met ingang van 1 november 2001 voor rekening en risico kwam van een andere vennootschap van de broer en twee anderen. Bij minnelijke taxatie per 1 januari 2001 werden de landbouwgronden getaxeerd. De waarde van de gronden vrij van pacht bedroeg € 1.078.000 en in verpachte staat € 485.000. Een (speculatief ingestelde) projectontwikkelaar kocht in februari 2002 de grond voor € 1.257.980 in verband met verwachte stedelijke ontwikkeling.
Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van de man over het jaar 2002 had de inspecteur een resultaat uit een werkzaamheid in aanmerking genomen wegens het ter beschikking stellen van de landbouwgronden aan de bv. De man was het daarmee niet eens en stelde dat de feitelijke terbeschikkingstelling van de landbouwgronden aan de bv per 1 november 2001 was beëindigd. De inspecteur was van mening dat de feitelijke beschikkingstelling in ieder geval na 1 januari 2002 was beëindigd. Uiteindelijk stelde de man cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad nam bij zijn oordeel de wetsgeschiedenis van de terbeschikkingstellingsregeling en de wetsystematiek (een fiscaal vergelijkbare behandeling met ondernemers-natuurlijke personen en het voorkomen van belastingarbitrage tussen de verschillende inkomensboxen) in aanmerking. Ook merkte de Hoge Raad op dat verkoop van een vermogensbestanddeel direct na de beëindiging van de feitelijke terbeschikkingstelling veelal niet mogelijk is. Het vermogensbestanddeel wordt dan na de beëindiging van de feitelijke terbeschikkingstelling aangehouden met het doel om het op een geschikt moment te verkopen. De Hoge Raad vond dat het bezit van het betreffende vermogensbestanddeel gedurende deze periode zozeer in het verlengde ligt van de feitelijke terbeschikkingstelling, dat het betreffende vermogensbestanddeel nog onderdeel blijft uitmaken van het werkzaamheidsvermogen. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van de man ongegrond.

