Een werkgever, een groothandel in bloemen en planten, besluit in 2012 de productie uit te besteden aan een derde. Deze derde valt, in tegenstelling tot de werkgever, niet onder de CAO voor de Groothandel Bloemen en Planten en zet voor de betreffende werkzaamheden flexibel personeel in. Ten aanzien van de werknemers die het productiewerk aanvankelijk verrichtten, dient de werkgever een ontslagaanvraag in bij UWV WERKbedrijf (‘UWV’). UWV weigert de ontslagvergunning, onder meer omdat sprake zou zijn van een zogenaamde ‘schijnconstructie’ nu het vaste personeel via de derde (‘schijnzelfstandige’) wordt ingeruild voor uitzendkrachten. De werkgever laat het er niet bij zitten en verzoekt voor de werknemers ontbinding bij de kantonrechter.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De kantonrechter
De kantonrechter oordeelt, in tegenstelling tot UWV, dat er geen sprake is van een schijnconstructie maar van reguliere uitbesteding van werk aan een ‘echte zelfstandige’. De kantonrechter acht relevant dat de derde staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en een gecertificeerde onderneming is die zelf ondernemersrisico loopt. Daarnaast houdt de derde zich aan de Nederlandse wetgeving (bijvoorbeeld de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag) en deed deze al jaren het grootste deel van het productiewerk voor de werkgever en andere bedrijven. De derde doet dit productiewerk met eigen personeel en eigen machines. Niet is gebleken dat de werkgever met deze derde contracten sluit met als uitsluitend doel werknemerschap te vermijden. Verder acht de kantonrechter het van belang dat de werkgever in zeer ernstige financiële problemen verkeerde (inmiddels zelfs het faillissement is uitgesproken) en aan de beschermingsregels die gelden bij collectief ontslag is voldaan, ook al waren de vakorganisaties laat geïnformeerd en is de melding inzake collectief ontslag laat gedaan.
Dat op een behoorlijk handelend werkgever de verplichting kan rusten om zich te vergewissen of de derde waaraan het productiewerk wordt uitbesteed, voldoet aan de Nederlandse wetgeving, brengt naar het oordeel van de kantonrechter niet met zich dat (ook) een inhoudelijk oordeel moet worden gevormd over de mate van flexibiliteit van de door de derde vervolgens ingezette werknemers.
Het belang van de werkgever, vooral gezien de ontstane financiële noodsituatie, woog in deze zaak in elk geval zwaarder dan het belang van de werknemers. De arbeidsovereenkomsten werden dan ook ontbonden per 1 mei 2013 zonder toekenning van een vergoeding.
Conclusie
Zowel UWV als de kantonrechter zijn van oordeel dat schijnconstructies ontoelaatbaar zijn. In onderhavige zaak oordeelt de kantonrechter, in tegenstelling tot het UWV, echter dat geen sprake is van een schijnconstructie, maar van een reguliere uitbesteding, mede omdat de derde is te kenmerken als een ‘echte zelfstandige’ en niet als een ‘schijnzelfstandige’.
Tip
Controleer bij het indienen van ontslagaanvragen op grond van bedrijfseconomische omstandigheden, waarbij werknemers worden vervangen door flexibele krachten, als werkgever goed of voldaan is aan alle voor dit onderwerp opgestelde strenge voorwaarden in hoofdstuk 7 van de UWV Beleidsregels. Ten slotte lijkt de kantonrechter in deze zaak een onderzoeksplicht te vestigen op werkgever, die dient na te gaan of de derde voldoet aan de wettelijke regels. Of deze zienswijze in de toekomst gevolgd wordt en wat deze precies inhoudt, zal verdere rechtspraak moeten uitwijzen.

