Een uit het buitenland aangetrokken (ingekomen) werknemer komt onder voorwaarden in aanmerking voor een fiscale faciliteit: de 30%-regeling. Onder de 30%-regeling kan een werkgever deze werknemer een belastingvrije vergoeding verstrekken voor de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst voor de duur van maximaal tien jaar. Hof Den Bosch heeft onlangs in een feitelijke procedure beslist dat de 30%-regeling ook van toepassing was op winstafhankelijke uitkeringen waarop recht bestond na uitdiensttreding en welke ook daadwerkelijk plaatsvonden na vertrek uit Nederland.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De procedure betrof een Fransman die tot eind 2003 in Nederland had gewerkt, dat jaar nog naar Frankrijk terugkeerde en over heel 2004 winstuitkeringen ontving van ca € 2,1 mln. De inspecteur was van mening dat de uitkeringen niet waren aan te merken als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, waarop de 30%-regeling van toepassing kan zijn. Uit de feiten stelde het hof vast dat de betreffende werknemer tijdens zijn dienstverband een onvoorwaardelijk aanspraak had gekregen op winstafhankelijke uitkeringen. Zo’n aanspraak kwalificeert echter wel als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Daardoor was de 30%-regeling toch van toepassing op de winstuitkeringen die de Fransman in 2004 had ontvangen tot het einde van zijn 30%-regeling.
Een uit het buitenland aangetrokken (ingekomen) werknemer komt onder voorwaarden in aanmerking voor een fiscale faciliteit: de 30%-regeling. Onder de 30%-regeling kan een werkgever deze werknemer een belastingvrije vergoeding verstrekken voor de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst voor de duur van maximaal tien jaar. Hof Den Bosch heeft onlangs in een feitelijke procedure uitspraak gedaan over de vraag of de 30%-regeling ook van toepassing was op een winstafhankelijke uitkering waarop recht bestond na uitdiensttreding. De zaak was vereenvoudigd weergegeven als volgt.
Een in Nederland woonachtige Fransman was in dienst bij een in Nederland gevestigde concernvennootschap die deel uitmaakte van een internationaal concern. In 1998 sloot hij met deze vennootschap een overeenkomst (profit participation agreement: PP-Agreement). Op grond van de PP-Agreements van het concern ontving de betrokken werknemer bij het einde van de dienstbetrekking met het concern uitkeringen in geld. Daartoe moest de werknemer aandeelhouder worden van een bepaalde concernvennootschap. De hoogte van de uitkering was afhankelijk van het saldo van winsten en verliezen bij het concern gedurende de looptijd van de overeenkomst. De uitkering vond plaats in termijnen. Over deze termijnen werd rente vergoed. De rentevergoeding vond plaats over het tijdvak tussen de datum van ontslag en het tijdstip van de laatste termijnuitkering.
Omdat de Nederlandse fiscale consequenties van de PP-Agreements niet eenduidig waren vast te stellen, sloten de Nederlandse concernvennootschap, de Fransman en de belastingdienst een vaststellingsovereenkomst om wel de gewenste eenduidigheid te krijgen. Zo bepaalde de vaststellingsovereenkomst dat het belastbare moment op de tijdstippen lag waarop de uitkeringen feitelijk plaatsvonden. Verder werden de uitkeringen in geld aangemerkt als niet aan loonbelasting/premie volksverzekeringen onderworpen loon uit dienstbetrekking en als zodanig verwerkt in de aangifte inkomstenbelasting. Ten aanzien van de 30%-regeling bevatte de vaststellingsovereenkomst geen enkele afspraak.
Eind 2003 trad de Fransman uit dienst en vertrok naar Frankrijk. In 2004 ontving hij een uitkering uit de PP-Agreement van ca € 2,1 mln. Ruim € 1,6 mln van dit bedrag had betrekking op de periode in 2004 die nog lag voor de einddatum van zijn 30%-regeling. De Fransman nam deze uitkering echter niet op in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2004. De inspecteur ontdekte deze omissie en legde een navorderingsaanslag op waarbij hij de 30%-regeling buiten toepassing liet. Naar zijn mening waren de winstafhankelijke uitkeringen niet aan te merken als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking waardoor de 30%-regeling toepassing zou missen.
Het hof stelde voorop dat de Fransman tijdens zijn dienstverband met de Nederlandse concernvennootschap een PP-Agreement had gesloten die hem na afloop van zijn dienstverband recht gaf op winstafhankelijke uitkeringen. Het hof concludeerde daaruit dat de Fransman tijdens zijn dienstverband een onvoorwaardelijke aanspraak op winstafhankelijke uitkeringen had gekregen die kwalificeerde als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Nu in de vaststellingsovereenkomst geen afspraak over de 30%-regeling was opgenomen, viel volgens het hof niet in te zien dat de Fransman daarmee zijn recht op toepassing van de 30%-regeling (stilzwijgend) had opgegeven. Naar het oordeel van het hof verdroeg een zodanige uitleg zich ook niet met doel en strekking van die vaststellingsovereenkomst. Het hof verklaarde het hoger beroep van de Fransman daarom op dit punt gegrond.

