Renteafspraken in het kader van een wettelijke verdeling (ouderlijke boedelverdeling) worden krachtens erfrecht en niet krachtens schenking verkregen. Daarbij kunnen de renteafspraken tussen de langstlevende ouder en de kinderen-erfgenamen betrekking hebben op elke vergoeding van rente: de wettelijke rente, een testamentair bepaalde rente of een overeengekomen rente. De Hoge Raad heeft onlangs in deze zin beslist. De Hoge Raad casseert daarmee de andersluidende uitspraak van Hof Amsterdam en bevestigt de uitspraak van Rechtbank Haarlem waarover we op 27 juni 2008 hebben bericht.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De Hoge Raad heeft onlangs een arrest gewezen over de werkingssfeer van het erfrecht op renteafspraken tussen de langstlevende ouder en de kinderen-erfgenamen in het kader van een wettelijke verdeling (ouderlijke boedelverdeling). De zaak was vereenvoudigd weergegeven als volgt.
Een man was op 10 maart 2004 overleden. Hij had bij testament over zijn nalatenschap beschikt en daarbij een ouderlijke boedelverdeling gemaakt. Volgens het testament kreeg zijn achterblijvende echtgenote een renteloze overbedelingschuld aan hun drie kinderen. Binnen acht maanden na het overlijden van de man in 2004 maakte de vrouw met de kinderen een renteafspraak. Zij verplichtte zich tot het betalen van rente over haar overbedelingschuld. De (afwijkende) renteafspraak betrof niet de wettelijke verhoging maar de testamentaire rente (renteloos). De inspecteur trok hieruit de gevolgtrekking dat deze renteafspraak niet onder de heffingssfeer van het successierecht zou vallen maar onder het schenkingsrecht. Hij constateerde belastbare schenkingen van € 219.362 van de vrouw aan elk kind en legde aan ieder van hen een aanslag successierecht op naar een te betalen bedrag van € 29.207. De zaak kwam voor Rechtbank Haarlem.
Volgens de rechtbank week het testament niet op relevante punten af van de wettelijke verdeling van het Burgerlijk Wetboek. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de langstlevende en de kinderen in afwijking van een testament een renteovereenkomst kunnen sluiten. De rechtbank concludeerde dan ook dat de renteafspraak tussen de vrouw en de kinderen binnen het bereik van het successierecht viel en vernietigde de aanslagen schenkingsrecht. De inspecteur stelde hoger beroep in bij Hof Amsterdam.
Het hof was van oordeel dat alleen het erfrecht op een renteafspraak van toepassing kan zijn als de renteafspraak is gebaseerd op de wettelijke verhoging zoals neergelegd in een specifieke bepaling uit het Burgerlijk Wetboek. Dat was niet het geval. Het hof vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank. De erfgenamen gingen daarop in cassatie bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad is van oordeel dat de werkingssfeer van de heffingsbepaling in de Successiewet over renteafspraken binnen een wettelijke verdeling zich ook uitstrekt tot een renteafspraak als in de onderhavige procedure. Volgens de Hoge Raad valt niet in te zien dat de in de Successiewet gebruikte term ‘rentevergoeding’ geen betrekking zou kunnen hebben op elke vergoeding van rente: de wettelijke rente, een testamentair bepaalde rente of een overeengekomen rente. Evenmin biedt de wetsgeschiedenis van de betreffende wetsbepaling uit de Successiewet aanleiding tot een beperkte uitleg. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie gegrond.

