Een schuldeiser kan op verschillende wijzen (verhaals)beslag leggen om zijn vordering te verhalen. Welke manier de juiste is, is uiteraard afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Aan de hand van de volgende casus zal ik een en ander verduidelijken:
Schuldeiser S heeft een vordering op schuldenaar V.
V heeft op 1 juni 2010 een registergoed verkocht aan koper K. De koopsom bedraagt 350.000 euro. In de koopovereenkomst is bepaald dat K de koopsom op de kwaliteitsrekening van notaris N dient te storten. Tevens is overeengekomen dat V het registergoed vrij van hypotheken en beslagen aan K dient te leveren
Op het registergoed rust een hypotheek ten behoeve van bank B ter grootte van 200.000 euro.
De levering zal plaatsvinden op 1 oktober 2010.
Op 1 juli 2010 beraadt S zich over zijn verhaalsmogelijkheden. S zou daarbij kunnen kiezen uit de hierna genoemde wijzen van beslag.
S legt beslag op het registergoed:
Het beslag heeft in beginsel een blokkerende werking. Dit houdt in dat het registergoed niet zonder rekening te houden met het beslag kan worden geleverd aan K.
V zal eerst de betreffende vordering aan S moeten voldoen, wil V het registergoed vrij van beslag kunnen leveren aan K.
Indien de koopovereenkomst tussen V en K zou zijn ingeschreven in de openbare registers, de zogenaamde ‘Vormerkung’, wordt K beschermd tegen -ondermeer – later gelegde beslagen.
Het gevolg van de Vormerkung is dat de levering doorgang kan vinden zonder rekening te houden met het beslag, mits deze levering plaatsvindt binnen zes maanden na Vormerkung.
De Hoge Raad heeft overigens bepaald dat het beslag op het registergoed na levering van het registergoed niet automatisch komt te rusten op de verkoopopbrengst.
S legt beslag op de koopsom d.m.v. (derden)beslag onder K:
Er bestaat discussie over de vraag of het voor S mogelijk is om (derden)beslag te leggen onder K op de koopsom ten bedrage van zijn vordering.
Enerzijds wordt betoogd dat een dergelijk beslag mogelijk moet zijn, omdat anders de verhaalsmogelijkheden van schuldeisers worden beperkt.
Anderzijds wordt betoogd dat deze vorm van beslaglegging in strijd is met de ratio van voormelde Vormerkung, zijnde de bescherming van K.
Een praktische oplossing zou kunnen zijn dat -kort gezegd- het beslag onder K wordt beperkt tot de verkoopopbrengst toekomend aan V (derhalve na aflossing van B), waarbij K de koopsom onder N dient te storten. Vervolgens wordt tevens beslag gelegd onder N.
S legt beslag op de koopsom d.m.v. (derden)beslag onder N:
S kan beslag leggen onder N. Dit beslag kan worden gelegd voor- of nadat K de koopsom onder N heeft gestort. De voorwaarde voor beslaglegging vóór storting van de koopsom onder N, is dat ten tijde van beslaglegging een rechtsverhouding bestaat tussen V en N.
Het beslag treft het gedeelte van de verkoopopbrengst van V na aflossing van B, derhalve 150.000 euro. Het beslag staat de aflossing aan B derhalve niet in de weg.
Volledigheidshalve merk ik op dat het beslag niet op de kwaliteitsrekening van N kan worden gelegd, maar onder N op het aandeel van V in de kwaliteitsrekening.
Een risico van deze laatste vorm van beslaglegging is dat partijen uitwijken naar een andere notaris, indien V lucht krijgt van de beslaglegging.
Conclusie
Ingeval van Vormerkung heeft het geen zin om beslag te leggen op registergoed, tenzij de levering meer dan zes maanden na de Vormerkung plaatsvindt.
Derdenbeslag onder de koper kan worden gecombineerd met een derdenbeslag onder de notaris, om op die manier te voorkomen dat partijen uitwijken naar een andere notaris waardoor het beslag geen doel treft.
mr. Wieteke Braat, AKD Advocaten & Notarissen

