Rechtbank Arnhem heeft onlangs in een procedure een proceskostenvergoeding toegekend die aanzienlijk hoger was dan de forfaitaire. De procedure betrof een ambtshalve opgelegde aanslag inkomstenbelasting met verzuimboete, terwijl de aangiftetermijn vanwege een verleend uitstel nog niet voorbij was.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Het bleek dat de inspecteur vanwege een fout ten onrechte een verzuimboete had opgelegd. Daarom stond bij voorbaat vast dat de boetebeschikking moest worden vernietigd en dat recht bestond op een hogere proceskostenvergoeding dan de forfaitaire. Hetzelfde gold voor de belastingaanslag en heffingsrente. Doordat de inspecteur al vóór het verstrijken van de aangiftetermijn een ambtshalve aanslag had opgelegd, had hij de kans aanvaard dat hij de aanslag en de eventueel in verband daarmee verschuldigde heffingsrente niet op de juiste bedragen had vastgesteld. Omdat de inspecteur niet over alle gegevens voor de vaststelling van de aanslag beschikte, was die kans vrijwel 100 procent.
Als u in bezwaar of in beroep (deels) in het gelijk wordt gesteld, dan heeft u in beginsel recht op een procesvergoeding. In verreweg de meeste gevallen is de hoogte van de proceskostenvergoeding genormeerd volgens een bepaald puntensysteem: een forfaitaire proceskostenvergoeding. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan in bijzondere omstandigheden van de genormeerde proceskostenvergoeding worden afgeweken en een hogere vergoeding worden toegekend. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 april 2007 daaraan invulling gegeven en heeft daarbij bepaald dat voor een dergelijke vergoeding plaats is ingeval een bestuursorgaan (waaronder een belastinginspecteur) een besluit neemt of handhaaft terwijl duidelijk is dat dat besluit geen stand zal houden.
Rechtbank Arnhem heeft onlangs in een procedure een proceskostenvergoeding toegekend die aanzienlijk hoger was dan de forfaitaire. De procedure betrof een vrouw die een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2006 met een verzuimboete had ontvangen, terwijl de aangiftetermijn voor de aangifte vanwege een verleend uitstel nog niet voorbij was. Na bezwaar verminderde de inspecteur de ambtshalve aanslag en stelde die conform de aangifte vast. De boete verviel en voor de behandeling van het bezwaarschrift kende de inspecteur een proceskostenvergoeding toe van € 161. De vrouw was om meerdere redenen niet tevreden met de gang van zaken en ging in beroep bij Rechtbank Arnhem. Daar verzocht zij om een redelijke vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar en beroep.
Het bleek dat de inspecteur vanwege een fout ten onrechte een verzuimboete had opgelegd. Daarom stond bij voorbaat vast dat de boetebeschikking moest worden vernietigd. Al om deze reden stond vast dat de vrouw in aanmerking kwam voor een hogere proceskostenvergoeding dan de forfaitaire. Hetzelfde gold voor de belastingaanslag en de heffingsrente. Doordat de inspecteur al vóór het verstrijken van de aangiftetermijn een ambtshalve aanslag had opgelegd, had hij de kans aanvaard dat hij de aanslag en de eventueel in verband daarmee verschuldigde heffingsrente niet op de juiste bedragen had vastgesteld. Omdat de inspecteur niet over alle gegevens voor de vaststelling van de aanslag beschikte, was die kans vrijwel 100 procent. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze situatie op één lijn worden gesteld met het geval dat een bestuursorgaan een besluit neemt of handhaaft terwijl duidelijk is of vaststaat dat dat besluit geen stand zal houden. Ook om deze reden zag de rechtbank aanleiding voor een hogere vergoeding dan de forfaitaire.
De vrouw had de rechtbank verzocht om een redelijke proceskostenvergoeding voor bezwaar en beroep zonder daarbij bedragen te noemen. De rechtbank vatte dit op dat de vrouw de hoogte van de proceskostenvergoeding kennelijk aan de rechtbank wilde overlaten. Er was sprake van beroepsmatig verleende bijstand. De rechtbank stelde de proceskostenvergoeding naar redelijke schatting vast op € 300 voor de bezwaarfase (vanwege het indienen van het bezwaarschrift) en op € 500 voor de beroepfase (vanwege het indienen van een beroepschrift).

