Hof Arnhem heeft onlangs in een feitelijke procedure beslist dat een samenwerkingsverband tussen twee echtgenoten in een grote cosmetische en gewone tandartspraktijk niet ongebruikelijk was. De vrouw was -anders dan haar man- geen gediplomeerd tandarts maar verrichtte zelfstandig behandelingen op het gebied van bleken in de cosmetische praktijk. Daarmee werden ook substantiële omzetten behaald.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De inspecteur meende echter dat de vrouw op grond van de zogeheten uitsluitingsregel niet in aanmerking kwam voor de zelfstandigenaftrek. Deze regel is van toepassing als is voldaan aan twee cumulatieve criteria: de overeengekomen samenwerkingsverband is tussen niet verbonden personen ongebruikelijk én de werkzaamheden zijn hoofdzakelijk (ten minste 70%) van ondersteunende aard. Het hof achtte het op feiten en omstandigheden aannemelijk dat de tussen beide echtgenoten overeengekomen verdeling van activiteiten en verantwoordelijkheden bij samenwerkingsverbanden tussen niet-verbonden personen met een omvang als in de onderhavige procedure, niet ongebruikelijk is.
Daardoor was al aan een van de twee cumulatieve voorwaarden voor toepassing van de uitsluitingsregel niet voldaan zodat de vraag of de werkzaamheden van de vrouw hoofdzakelijk ondersteunend van aard waren niet meer van belang was. Nu de vrouw ook voor het overige aan het urencriterium had voldaan, kwam zij toch in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek.
Bij een man-vrouwfirma kunnen beide partners onder voorwaarden gebruikmaken van de ondernemersaftrek (o.a. de zelfstandigenaftrek) als zij aan het zogenoemde urencriterium van 1.225 uren voldoen. Het urencriterium houdt in dat een ondernemer in een kalenderjaar ten minste 1.225 uur aan de onderneming moet hebben besteed. Daarnaast moeten de ‘ondernemingsuren’ meer zijn dan de helft van het totaal aan uren die zijn gewerkt voor de onderneming, een dienstbetrekking (belastbaar loon) en overige arbeid (belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden). In bepaalde situaties tellen de door een partner gewerkte uren in de onderneming op grond van de uitsluitingsregel niet mee voor het urencriterium. In dat geval moet aan twee voorwaarden cumulatief zijn voldaan, te weten:
- De gewerkte uren zien hoofdzakelijk (voor meer dan 70%) op werkzaamheden van ondersteunende aard in de onderneming.
- Het is ongebruikelijk dat een dergelijk samenwerkingsverband met een willekeurige derde zou zijn aangegaan.
Hof Arnhem heeft onlangs in een feitelijke procedure beslist dat een samenwerkingsverband tussen twee echtgenoten in een grote cosmetische en gewone tandartspraktijk niet ongebruikelijk was.
De vrouw was -anders dan haar man- geen gediplomeerd tandarts maar verrichtte zelfstandig behandelingen op het gebied van bleken in de cosmetische praktijk. Daarmee werden ook substantiële omzetten behaald. De inspecteur meende echter dat de vrouw op grond van de bovengenoemde uitsluitingsregel niet in aanmerking kwam voor de zelfstandigenaftrek. Rechtbank Arnhem stelde aan de hand van een gedetailleerde analyse van haar werkzaamheden vast dat deze niet hoofdzakelijk ondersteunend van aard waren en besliste dat zij wel recht had op de zelfstandigenaftrek. De inspecteur stelde daarop hoger beroep in bij Hof Arnhem.
De echtgenoot van de vrouw verklaarde voor het hof dat het bleken van tanden een noodzakelijk sluitstuk kan zijn van een door hem uitgevoerde cosmetische behandeling. Het hof achtte het dat beide echtgenoten in de cosmetische praktijk een wezenlijke rol vervulden in de onderneming en dat ieders specifieke (ondernemers)kwaliteiten daarvoor werden ingezet. Het hof achtte het ook aannemelijk dat de tussen beide echtgenoten overeengekomen verdeling van activiteiten en verantwoordelijkheden bij samenwerkingsverbanden tussen niet-verbonden personen met een omvang als in de onderhavige procedure, niet ongebruikelijk is. Daardoor was al aan een van de twee cumulatieve voorwaarden voor toepassing van de uitsluitingsregel niet voldaan, zodat de vraag of de werkzaamheden van de vrouw hoofdzakelijk ondersteunend van aard waren, niet meer van belang was. Nu de vrouw ook voor het overige aan het urencriterium had voldaan, kwam zij toch in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek.

