Hof Arnhem heeft in een sterk feitelijke procedure beslist dat een gepensioneerde en een in 1992 naar Zwitserland geëmigreerde Nederlander in het jaar 2000 per saldo toch nog zijn fiscale woonplaats in Nederland had. Het hof liep alle feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de fiscale woonplaatsbepaling in het verdrag met Zwitserland minutieus na. Voor het hof waren de familiebanden met de in Nederland wonende (klein)kinderen en het nog in Nederland gebleven zwaartepunt van de economische belangen doorslaggevend voor de woonplaatsbepaling.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Het hof vond zijn economische en sociale banden met Nederland toch iets nauwer dan met Zwitserland. Dit had voor de belastingheffing over 2000 grote gevolgen. Het hof was van oordeel dat de inspecteur daardoor terecht een aanmerkelijkbelangwinst van ruim € 12 mln (ca. f 27 mln) in aanmerking had genomen. Over de vraag of de vennootschappen waarvan de inspecteur aanmerkelijkbelangwinst en fictief rendement in aanmerking had genomen ook in Nederland zijn gevestigd, lopen nog procedures. De uitkomsten van die procedures beïnvloeden de hoogte van het in onderhavige procedure vastgestelde belastbare inkomen.
Hof Arnhem heeft in een sterk feitelijke procedure uitspraak gedaan over de vraag of een gepensioneerde en een in 1992 naar Zwitserland geëmigreerde Nederlander in het jaar 2000 per saldo toch nog zijn fiscale woonplaats in Nederland had of niet. Over deze procedure hebben we eerder in 2009 bericht toen Rechtbank Arnhem uitspraak had gedaan. De rechtbank was van oordeel dat de man in 2000 zijn fiscale woonplaats toch in Nederland had. Het achterliggende belang van de woonplaatsvaststelling lag in de heffingsbevoegdheid van Nederland over een aanmerkelijkbelangwinst ruim € 12 mln (ca. f 27 mln). Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur de aanmerkelijkbelangwinst terecht in de belastingheffing betrokken. De man ging in hoger beroep bij Hof Arnhem.
Het hof liep alle feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de woonplaatsbepaling uit het belastingverdrag met Zwitserland minutieus na. Het hof stelde vast dat de man en zijn vrouw zowel in Nederland als Zwitserland een luxueus appartement bezaten. Daardoor bracht het eerste woonplaatsbepalende criterium ‘duurzame woongelegenheid’ geen uitsluitsel. Hetzelfde gold voor het volgende criterium ‘de plaats waarmee de persoonlijke betrekkingen het nauwst zijn’ (middelpunt van levensbelangen). Het hof was op grond van feiten en omstandigheden van oordeel dat het niet was te bepalen of de persoonlijke betrekkingen (in enge zin) van de man het nauwst waren met Nederland of met Zwitserland. Maar uit een aantal feiten en omstandigheden kwam het hof tot de slotsom dat de economische en sociale banden met Nederland toch nauwer waren dan met Zwitserland.
Het stond onbetwist vast dat de man in Nederland geen sociale contacten meer onderhield uit zijn werkzame leven en dat hij met zijn echtgenote in Zwitserland met meer vrienden en kennissen omging dan in Nederland. Echter al zijn kinderen en kleinkinderen woonden in Nederland en om deze reden verbleef zijn echtgenote in 2000 en in andere jaren bijna net zo veel in Nederland als in Zwitserland. Volgens het hof straalde dat ook af op de man. Verder was het hof van oordeel dat het zwaartepunt van zijn economische banden -onder andere via zijn aandelenbezit in enkele vennootschappen met een groot vermogen- in Nederland lag.
Het hof verklaarde daarop het hoger beroep ongegrond.
Over de vraag of de vennootschappen waarvan de inspecteur in het jaar 2000 de aanmerkelijkbelangwinst en een fictief rendement in aanmerking ook had genomen in Nederland zijn gevestigd, lopen nog procedures. De uitkomsten van die procedures beïnvloeden de hoogte van het in onderhavige procedure vastgestelde belastbare inkomen.

