Het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (het Ministerie) is georganiseerd in diverse Directoraten-Generaal en Directies. Enkele Directies, die voor het gehele Ministerie staffuncties vervullen, zijn in 2005 samengebracht onder het Directie Team VROM-Breed. Daarbij is een gemeenschappelijke ondernemingsraad (OR) ingesteld. In afwachting van de uitvoering van het Kabinet van de Nota Vernieuwing Rijksdienst is VROM-Breed georganiseerd in Tijdelijke Functionele Organisaties (TFO). De TFO bestuurlijke en juridische zaken (BJZ) heeft onder meer een onteigeningsunit, die de goedkeuringsprocedures van gemeentelijke onteigeningsbesluiten en de aanwijzingsprocedures op verzoek van andere overheden dan gemeenten behandelt. Bij brief van 1 oktober 2009 heeft het Ministerie advies gevraagd aan de OR op grond van artikel 25 WOR over het voorgenomen besluit tot uitbesteding van de onteigeningstaken van BJZ. De OR heeft op 21 oktober 2009 negatief geadviseerd, onder meer omdat de uitbesteding duurder zou uitpakken dan de bestaande situatie en het besluit in strijd is met het beleid van de overheid om externe inhuur te beperken. Het Ministerie heeft de OR op 6 november 2009 bericht het besluit toch te nemen, waarna de OR zich wendt tot de Ondernemingskamer met het verzoek het besluit kennelijk onredelijk te oordelen en de Staat te gebieden het besluit in te trekken.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De Ondernemingskamer stelt vast dat zowel de Staat als de OR er steeds vanuit zijn gegaan dat de uitbesteding van de onteigeningstaken meer zal kosten dan zij bespaart. Het uitbestedingbesluit vloeit voort uit de politieke bezuinigingsdoelstelling van € 750 miljoen op het ambtenarenapparaat. Aan die bezuinigingsdoelstelling wordt tekort gedaan indien het uitbesteden van de onteigeningstaak naar verwachting meer kost dan met het uitbesteden aan kosten wordt bespaard. Voorts is het besluit in strijd met het beleid om “externe inhuur te beperken”. De Staat heeft erkend dat een financieel probleem ontstaat doordat de uitbesteding duurder zal uitvallen, maar heeft niet vermeld welke oplossing voor dit probleem beschikbaar is en welke gevolgen het zal hebben voor de in de onderneming werkzame personen. Mede in het licht van de bezuinigingstaakstelling die aan het Ministerie is opgelegd, moet worden geoordeeld dat de te verwachten gevolgen van het bestreden besluit voor het personeel en de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen, niet naar behoren zijn uiteengezet. Het bestreden besluit is naar oordeel van de Ondernemingskamer onvoldoende gemotiveerd en om die reden heeft de Staat bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot dit besluit kunnen komen. Het besluit dient dan ook te worden ingetrokken.
Tips voor de praktijk:
- Uit de WOR volgt dat een OR tijdig om advies dient te worden gevraagd, de adviesaanvraag compleet dient te zijn en het besluit goed moet worden gemotiveerd;
- Een procedurefout, zoals een te late adviesaanvraag of een inhoudelijk slecht gemotiveerd besluit, kan ertoe leiden dat een ondernemer het besluit niet mag nemen en het besluit moet worden ingetrokken;
- In deze zaak ligt tussen het moment van de adviesaanvraag – 1 oktober 2009 – en het moment van de beschikking – 12 juli 2010 – ruim 9 maanden. Hou rekening met grote vertraging in de besluitvorming indien de OR zich tot de Ondernemingskamer wendt.
mr. Eva Knipschild, Kennedy Van der Laan

