Als een onderneming een bedrijfsmiddel verkoopt, kan de verkoopwinst onder voorwaarden worden gereserveerd voor de aankoop van een vervangend bedrijfsmiddel. Eén van de voorwaarden van zo’n herinvesteringsreserve is dat in beginsel tot uiterlijk drie jaar na het jaar van verkoop (herinvesteringstermijn) een vervangend bedrijfsmiddel wordt aangeschaft.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De verkoopwinst wordt dan niet belast, maar afgeboekt op de aanschaffingskosten van het vervangende bedrijfsmiddel. Vervanging na afloop van de herinvesteringstermijn leidt overigens niet altijd tot vrijval van de herinvesteringsreserve in de winst. Dat is onder meer het geval als de aanschaf of voortbrenging van een vervangend bedrijfsmiddel door bijzondere omstandigheden is vertraagd en de ondernemer al een begin van uitvoering heeft gegeven aan de aanschaf van een vervangend bedrijfsmiddel. Een vervangingsvoornemen alléén op het einde van de herinvesteringstermijn is dus onvoldoende. Dat blijkt weer eens uit een recente uitspraak van Hof Arnhem.
Als een onderneming een bedrijfsmiddel verkoopt, kan de verkoopwinst onder voorwaarden worden gereserveerd voor de aankoop van een vervangend bedrijfsmiddel. Eén van de voorwaarden van zo’n herinvesteringsreserve is dat in beginsel tot uiterlijk drie jaar na het jaar van verkoop (herinvesteringstermijn) een vervangend bedrijfsmiddel wordt aangeschaft. De verkoopwinst wordt dan niet belast, maar afgeboekt op de aanschaffingskosten van het vervangende bedrijfsmiddel. Voor bedrijfsmiddelen waarop niet of waarop in meer dan tien jaar pleegt te worden afgeschreven, geldt als bijkomende voorwaarde dat het vervangende bedrijfsmiddel eenzelfde economische functie in de onderneming moet vervullen als het vervreemde bedrijfsmiddel. Vervanging na afloop van de herinvesteringstermijn leidt niet altijd tot vrijval van de herinvesteringsreserve in de winst. Dat is onder meer het geval als de aanschaf of voortbrenging van een vervangend bedrijfsmiddel door bijzondere omstandigheden is vertraagd en de ondernemer al een begin van uitvoering heeft gegeven aan de aanschaf van een vervangend bedrijfsmiddel. Een vervangingsvoornemen alleen op het einde van de herinvesteringstermijn is dus onvoldoende. Dat blijkt weer eens uit een recente uitspraak van Hof Arnhem. De zaak was vereenvoudigd weergegeven als volgt.
Een ondernemer had in 1998 enige binnen zijn onderneming gebruikte onroerende zaken verkocht en daarbij een boekwinst behaald. De levering vond plaats in 1999. De boekwinst nam hij op in een vervangingsreserve (de voorganger van de herinvesteringsreserve). Eind 2001 richtte hij een houdstervennootschap op die op haar beurt een werkmaatschappij oprichtte. Deze werkmaatschappij nam in maart 2002 een onderneming over van een vennootschap waarbij zij de koopsom voor een deel schuldig bleef. De reden hiervoor was dat nog vergunningen afgegeven moesten worden waarmee kosten gemoeid waren. Deze kosten zou de verkopende vennootschap voor haar rekening nemen terwijl de werkmaatschappij deze zou betalen.
In mei 2002 oefende de werkmaatschappij de overgenomen onderneming uit in een pand dat de zij huurde. Volgens de huurovereenkomst zou de werkmaatschappij na afloop van de eerste huurperiode van vijf jaar het pand mogen kopen. In december 2004 had de gemachtigde van de ondernemer in een brief aan de verhuurster gemeld dat de ondernemer belangstelling had om het pand te kopen. In juni 2005 kocht de bv het pand.
Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2003 verhoogde de inspecteur het aangegeven inkomen uit werk en woning wegens de vrijval van de herinvesteringsreserve. De ondernemer was het daarmee niet eens omdat hij een begin van uitvoering had gegeven aan de aanschaf van een vervangend bedrijfsmiddel, maar dat de voortgang daarvan door bijzondere omstandigheden (bodemverontreiniging) was vertraagd.
Het hof was echter van oordeel dat de ondernemer eind 2003 niet aannemelijk had gemaakt dat hij een begin van uitvoering had gegeven aan de aanschaf van het pand. In december 2004 was namelijk pas voor het eerst contact opgenomen met de toenmalige verhuurster van het pand over de eventuele aankoop van het pand. Uit de bewoordingen van de brief maakte het hof op dat zelfs eind 2004 nog geen begin van uitvoering was gegeven aan de aanschaf van het pand. Eerdere gesprekken over de aanschaf van het pand, de eventueel aanwezige bodemverontreiniging en het onderzoek daarnaar –zonder dat dat had geleid tot enig resultaat- waren naar het oordeel van het hof niet aan te merken als een begin van uitvoering. Het hof was zelfs van oordeel dat niet aannemelijk was geworden dat de bodemverontreiniging de vervanging had vertraagd. Voor het overige waren geen andere bijzondere vertragende omstandigheden gebleken.
Het hof merkte ten slotte nog op dat er nog een andere omstandigheid was die tot vrijval van de herinvesteringsreserve moest leiden. Uiteindelijk had een vennootschap van de ondernemer het pand gekocht dat als ver vanging moest dienen voor het pand dat de ondernemer-natuurlijk persoon in 1998 had verkocht. Daarom kon volgens het hof geen sprake zijn van een vervangingsvoornemen van de ondernemer zelf.

