Betalingen wegens voorziening in het levensonderhoud van een ex-partner (niet zijnde de echtgeno(o)t(e)) zijn onder voorwaarden aftrekbaar in box 1 als onderhoudsverplichtingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om betalingen op grond van een ‘dringende morele verplichting’ die door een overeenkomst tussen de ex-partners is omgezet in een ‘juridisch afdwingbare verplichting’. Dit houdt in dat de ontvangende ex-partner nakoming van die overeenkomst eventueel tot voor de rechter kan vorderen.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Hof Den Haag heeft onlangs in een uitspraak op een rij gezet wat het vereiste van omzetting van een natuurlijke verbintenis in een juridisch afdwingbare verplichting eigenlijk inhoudt. Het hof gaf daarbij ook aan dat het van geen enkel belang was dat tussen partijen geen getekend stuk bestond waaruit de overeenkomst zou blijken. Voldoende is dat uit verklaringen en gedragingen van partijen kan worden afgeleid dat een omzettingsovereenkomst tot stand is gekomen. Dat was in de onderhavige procedure inderdaad het geval.
Betalingen wegens voorziening in het levensonderhoud van een ex-partner (niet zijnde de echtgeno(o)t(e)) zijn onder voorwaarden aftrekbaar in box 1 als onderhoudsverplichtingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om betalingen op grond van een ‘dringende morele verplichting’ die door een overeenkomst tussen de ex-partners is omgezet in een ‘juridisch afdwingbare verplichting’. Dit houdt in dat de ontvangende ex-partner nakoming van die overeenkomst eventueel tot voor de rechter kan vorderen. Hof Den Haag heeft onlangs in een uitspraak op een rij gezet wat het vereiste van omzetting van een natuurlijke verbintenis in een juridisch afdwingbare verplichting eigenlijk inhoudt.
In de onderhavige procedure was sprake van een man en een vrouw die van april 1996 tot augustus 2006 met hun dochter hadden samengewoond. Zij hadden geen samenlevingsovereenkomst gesloten. Tussen hen was evenmin een geregistreerd partnerschap. De man vertrok in augustus 2006 uit hun gezamenlijke woning. De vrouw bleef daarin met haar dochter achter en voorzag in haar levensonderhoud door geldopnames van de gezamenlijke en/of rekening met haar voormalige partner. In december 2006 kreeg zij een eigen inkomensvoorziening in de vorm van een bijstandsuitkering. Over de periode in 2006 waarin de vrouw geen eigen inkomensvoorziening had, had zij € 2.175 van de en/of rekening opgenomen. De man was eerst van plan de geldopnames van de vrouw terug te vorderen, maar (mede) door een indringende brief van de advocaat van zijn ex-partner zag hij daar van af. De man claimde daarop in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2006 een aftrek wegens dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van de vrouw. De inspecteur erkende dat weliswaar sprake was van een dringende morele verplichting, maar stelde zich op het standpunt dat deze niet was omgezet in een afdwingbare juridische verplichting.
Hof Den Haag stelde voorop dat volgens het Burgerlijk Wetboek de omzetting slechts door een overeenkomst kan plaatsvinden. Daarbij kan de overeenkomst op verschillende wijzen tot stand komen. De meest gangbare manier is die van aanbod en aanvaarding, waarbij aanbod en aanvaarding niet uitdrukkelijk hoeven plaats te vinden. Dat kan in elke vorm geschieden eventueel zelfs in gedragingen van partijen. Het hof gaf in de onderhavige procedure aan dat het van geen enkel belang was dat tussen partijen geen getekend stuk bestond waaruit de overeenkomst zou blijken. Wat wel van belang is, is wat partijen tegen elkaar hadden verklaard, hoe zij zich tegenover elkaar hadden gedragen, wat zij in de gegeven omstandigheden daaruit hadden afgeleid of redelijkerwijs mochten afleiden en of uit dit alles kan worden afgeleid of tussen partijen een omzettingsovereenkomst tot stand was gekomen.
Het hof leidde uit de gedragingen van partijen af dat in 2006 inderdaad een omzettingsovereenkomst tot stand was gekomen. Daardoor was sprake van een juridisch afdwingbare verplichting en had de man in 2006 recht op een aftrek wegens dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van € 2.175.

