Rechtbank Den Haag heeft onlangs een interessante uitspraak gedaan voor vermogende kunstliefhebbers voor wie het vinden van een goede eindbestemming van (een deel van) hun kunstverzameling mede een punt van overweging is.
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
De procedure betrof een kunstliefhebber die met een (als algemeen nut beogende instelling kwalificerende) museum enkele koop- en verhuurovereenkomsten had gesloten voor de levering en verhuur van kunstwerken. Deze overeenkomsten leidden voor het museum tot betalingsverplichtingen aan de kunstliefhebber, die het museum schuldig bleef. Tegelijkertijd had de kunstliefhebber bij notariële akte twee schenkingsovereenkomsten gesloten voor de duur van vijf jaren of eindigend bij eerder overlijden.
De kunstliefhebber en het museum kwamen bij wijze van schuldvernieuwing overeen dat de jaarlijkse verplichting van het museum tot het betalen van de huursom werd omgezet in een geldlening. De kunstliefhebber en het museum waren gerechtigd tot het verrekenen van hetgeen zij van elkaar over en weer te vorderen hadden. De jaarlijkse schenkingen aan het museum en de jaarlijkse aflossing op de leningen door het museum werden onderling verrekend en vielen exact tegen elkaar weg. De kunstliefhebber stelde zich op het standpunt dat sprake was van een periodieke gift en trok de schenkingen af in de inkomstenbelasting. De inspecteur meende om diverse redenen dat de schenkingen van de kunstliefhebber voor zover deze verrekend waren met te ontvangen huurtermijnen, niet aftrekbaar waren. De rechtbank wees deze echter allemaal af.
Rechtbank Den Haag heeft onlangs een interessante uitspraak gedaan voor vermogende kunstliefhebbers voor wie het vinden van een goede eindbestemming van (een deel van) hun kunstverzameling mede een punt van overweging is.
De procedure betrof -vereenvoudigd weergegeven- het volgende. Een kunstliefhebber had in 2003 en 2004 met een als algemeen nut beogende instelling kwalificerend museum enkele koop- en verhuurovereenkomsten afgesloten voor de levering en verhuur van diverse kunstwerken. Deze overeenkomsten leidden voor de museum tot betalingsverplichtingen aan de kunstliefhebber, die het museum aan de kunstliefhebber schuldig bleef. Tegelijkertijd had de kunstliefhebber bij notariële akte twee schenkingsovereenkomsten gesloten voor de duur van vijf jaren of eindigend bij eerder overlijden. De kunstliefhebber en museum kwamen bij wijze van schuldvernieuwing overeen dat de jaarlijkse verplichting van het museum tot het betalen van de huursom werd omgezet in een geldlening. De kunstliefhebber en het museum waren gerechtigd tot het verrekenen van hetgeen zij van elkaar over en weer te vorderen hadden. De jaarlijkse schenkingen aan het museum en de jaarlijkse aflossing op de leningen door het museum vielen exact tegen elkaar weg.
De kunstliefhebber nam in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005 een bedrag aan giftenaftrek in aanmerking die (nagenoeg) gelijk was aan de jaartermijnen uit de twee schenkingsovereenkomsten. De inspecteur meende om diverse redenen dat de schenkingen van de kunstliefhebber voor zover deze verrekend waren met te ontvangen huurtermijnen (€ 57.600) , niet als periodieke gift aftrekbaar waren. Zo stelde hij dat:
1. sprake was van een samenstel van rechtshandelingen bestaande uit verhuur van kunstwerken, schuldigerkenning en periodieke kwijtschelding van huursommen, die gekwalificeerd moest worden als bruikleen. In dat geval is van een gift geen sprake en geen recht op aftrek van eerdergenoemd bedrag van € 57.600.
2. geen recht bestaat op giftenaftrek omdat het samenstel van rechtshandelingen met betrekking tot de verhuur van kunstwerken niet leidt tot een daadwerkelijke vermogensverschuiving ten laste van het vermogen van de kunstliefhebber ten gunste van het vermogen van het museum. Er kwamen namelijk geen daadwerkelijke geldstromen op gang en de kunstliefhebber had de beschikkingsmacht over de geschonken bedragen niet daadwerkelijk verloren.
3. Als laatste nam de inspecteur het standpunt in dat de verhuurde kunstwerken kwalificeren als voorwerpen van kunst die hoofdzakelijk als belegging dienen waardoor deze geen deel uitmaakten van vrijgestelde vermogensbestanddelen in box 3. Dit leidde tot het in aanmerking nemen van een hoger bedrag aan belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
Met betrekking tot het eerste punt stelde de rechtbank voorop dat onder omstandigheden plaats kan zijn voor een zelfstandige fiscaalrechtelijke herkwalificatie, die ertoe leidt dat er andere fiscale gevolgen zijn dan de partijen op grond van de gekozen civielrechtelijke vorm verwachten met een veelal hogere of lagere belastingheffing als gevolg. Dat is het geval als aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en de strekking van de belastingwet.
De rechtbank was van oordeel dat de fiscale gevolgen van wat de kunstliefhebber en het museum waren overeengekomen in de overeenkomsten tot verhuur en van geldlening en de akten van schenking in samenhang bezien niet onaanvaardbaar waren zoals hiervoor bedoeld. Deze overeenkomsten en de schenkingsakten leidden economisch bezien tot hetzelfde resultaat als de kwijtschelding van verschuldigde huurtermijnen, met daarbij de aantekening dat de verschuldigdheid van de kunstliefhebber tot het doen van periodieke uitkeringen voortijdig (vanwege zijn overlijden) kan eindigen, terwijl de aflossingsverplichting van het museum op de schuld aan de kunstliefhebber dan niet eindigt. Daarbij was de rechtbank van oordeel dat een sterftekans van de kunstliefhebber ter zake van de in 2004 afgesloten overeenkomsten (1,36%) toch nog zodanig hoog is dat aan dit overlijdensrisico betekenis moet worden toegekend. Voor zover aldus sprake was van een situatie die overeenkomt met die van kwijtschelding van huurtermijnen, leidde dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot de fiscale kwalificatie “bruikleen”. Daarbij nam de rechtbank ook in aanmerking dat doel en strekking van de Wet IB 2001 zich niet verzetten tegen de aftrek van een gift welke wordt gedaan door het wegschenken van toekomstige inkomsten.
Ook de tweede stelling van de inspecteur wees de rechtbank af. Door verrekening van de door de kunstliefhebber verschuldigde jaarlijkse schenkingen met de hem toekomende jaarlijkse aflossingen van de geldleningen verarmt de kunstliefhebber, terwijl het museum door het niet hoeven doen van de overeengekomen aflossingen op de geldleningen verrijkt. Verder had de kunstliefhebber naar het oordeel van de rechtbank gedurende de periode van verhuur de feitelijke beschikkingsmacht van de verhuurde kunstwerken verloren.
Ook de laatste stelling van de inspecteur haalde het niet. Naar het oordeel van de rechtbank moest de inspecteur zijn stelling aannemelijk maken dat de verhuurde kunstwerken hoofdzakelijk als belegging dienden. De inspecteur had echter niet meer gedaan dan te stellen dat de kunstliefhebber met de verhuur van kunstwerken hoofdzakelijk het behalen van rendement beoogde. Dat was onvoldoende.
De rechtbank verklaarde daarop het beroep van de kunstliefhebber gegrond en verleende hem ook giftenaftrek voor het door de inspecteur geweigerde bedrag van € 57.600.
Hof Den Haag heeft ons bericht dat tegen de uitspraak van de rechtbank inmiddels hoger beroep is ingesteld.

